ECLI:NL:RBDHA:2026:15451

ECLI:NL:RBDHA:2026:15451

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-06-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer SGR 26/4117
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

vovo; 8:83, derde lid, van de Awb; geen spoedeisend belang

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] C.V., uit [vestigingsplaats], verzoekster

het college van burgemeester en wethouders van Delft

Inleiding

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/4117

(gemachtigde: mr. M.R. Plug),

en

(gemachtigde: mr. L. van der Windt).

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de last onder dwangsom die het college verzoekster heeft opgelegd ten aanzien van de overkapping en de terrasschotten bij de horecagelegenheid aan [adres] te [plaats]. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is en welke gevolgen dat heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 20 maart 2026 heeft het college verzoekster gelast om de geconstateerde overtreding(en) van artikel 5.1, eerste lid, onder a en b, van de Omgevingswet te beëindigen en beëindigd te houden.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op 27 mei 2026 heeft het college gereageerd op het ingediende verzoek.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening zich onomkeerbare gevolgen voordoen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening vereist. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5. Het is vaste rechtspraak dat een louter financieel belang in beginsel geen reden vormt om een voorlopige voorziening te treffen. De financiële gevolgen van een besluit kunnen immers ongedaan gemaakt worden als later blijkt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt of sprake is van een acute financiële noodsituatie, neemt de voorzieningenrechter aan dat het spoedeisend belang ontbreekt.

6. Uit het bestreden besluit volgt dat verzoekster na afloop van de begunstigingtermijn van 12 weken een dwangsom van € 2.500,- per week kan verbeuren, tot een maximum van € 25.000,-.

7. Verzoekster heeft niet aan de hand van financiële stukken aangetoond dat betaling van het maximaal te verbeuren bedrag zal leiden tot een financiële noodsituatie voor het bedrijf van verzoekster. Daarom leveren de financiële gevolgen van mogelijk te verbeuren dwangsommen geen spoedeisend belang op. Verder blijkt niet dat de last eraan in de weg staat om ter plaatse horeca te kunnen exploiteren. Ook het risico dat er mogelijk minder mensen bij verzoekster komen eten wanneer de overkapping is verwijderd en de door verzoekster gevreesde reputatieschade maken niet dat sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.

8. Gelet op het voorgaande is niet gebleken van een spoedeisende situatie die een voorlopige voorziening vereist.

9. Als geen sprake is van een spoedeisend belang, kan alleen nog een voorlopige voorziening worden getroffen als sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bezwaarprocedure stand zal houden. In wat verzoekster naar voren heeft gebracht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De beantwoording van de vraag of de bezwaargronden van verzoekster slagen, vergt nader onderzoek, waar de bezwaarprocedure zich voor leent.

Conclusie en gevolgen

10. Het verzoek is gelet op het voorgaande kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.A. Klein

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand