ECLI:NL:RBDHA:2026:15464

ECLI:NL:RBDHA:2026:15464

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-05-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer SGR 26/3507
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vovo tegen vier lasten onder dwangsom die het college aan een landgoedeigenaar heeft opgelegd - betreffende de wijze waarop het landgoed is ingericht – toegewezen, omdat het belang van verzoekers, zijnde bewoners van het landgoed, bij het vooralsnog in stand laten van de huidige situatie op het landgoed zwaarder weegt dan het belang van het college bij handhavend optreden en het belang van belanghebbende bij uitvoering van de lasten op korte termijn. Bestreden besluit geschorst tot 6 weken na bekendmaking bob.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en anderen, uit [woonplaats] , verzoekers

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, het college

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/3507

en

(gemachtigde: drs. F. Zorn).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: N. Lodewijk, uit Ter Aar (belanghebbende).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over twee lasten onder dwangsom die het college aan [bedrijf] B.V. heeft opgelegd. Deze lasten betreffen – kort gezegd – de wijze waarop het landgoed Langeraar is ingericht. [bedrijf] B.V. is eigenaar en beheerder van dit landgoed. Verzoekers wonen op het landgoed en zijn het niet eens met de opgelegde lasten. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening te treffen en voeren daartoe een aantal gronden aan.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoekers bij het vooralsnog in stand laten van de huidige situatie op landgoed Langeraar zwaarder dan het belang van het college bij handhavend optreden en het belang van belanghebbende bij uitvoering van de lasten op korte termijn. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Belanghebbende heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen diverse overtredingen op landgoed Langeraar.

Op 11 november 2025 heeft een toezichthouder van de gemeente een controlebezoek uitgevoerd op het landgoed.

Met het bestreden besluit van 19 februari 2026 heeft het college aan [bedrijf] B.V. dertien lasten onder dwangsom opgelegd. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om ten aanzien van twee lasten een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoekers en het college hebben nadere stukken overgelegd.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 mei 2026 op zitting behandeld gezamenlijk met het verzoek van [bedrijf] B.V. (zaak 26/3502). Aan de zitting hebben deelgenomen: verzoekers [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , [verzoeker 4] en [verzoeker 5] , de gemachtigde van het college en belanghebbende, vergezeld door zijn partner.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Achtergrond

3. Landgoed Langeraar is eigendom van [bedrijf] B.V. Op 26 mei 2014 heeft bureau B4o Landschapsarchitectuur, Stedenbouw en Recreatieontwikkeling in samenwerking met de gemeente Nieuwkoop het Landschapsplan Landgoed Langeraar (het landschapsplan) opgesteld. Het betreft een uitwerking van de visie en het ontwerp van landgoed Langeraar. In het landschapsplan wordt inzicht gegeven in hoe de nieuwe ruimtelijke opbouw van het plangebied eruit kan komen te zien, met daarbij een uitwerking op hoofdlijnen van de terreininrichting en architectuur van de nieuwe bebouwing op het landgoed.

Het landschapsplan maakt als bijlage deel uit van het bestemmingsplan “Vivero, Langeraarseweg 12 en Landgoed Langeraar”. Dit bestemmingsplan maakt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Nieuwkoop. De onbebouwde gronden binnen het landgoed hebben in dit bestemmingsplan grotendeels de bestemming “Natuur-Landgoed”. In artikel 4.3.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen dat tot een met deze bestemming strijdig gebruik in elk geval wordt gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het landschapsplan, teneinde te komen tot de realisatie van een landgoed.

Belanghebbende en verzoekers zijn bewoners van landgoed Langeraar. Volgens belanghebbende is bij de inrichting van het landgoed op diverse plaatsen geen of onvoldoende gevolg gegeven aan het landschapsplan. Hij betoogt dat de inrichting van het landgoed daarom niet voldoet aan de eisen die hiervoor gelden en ook niet overeenkomt met wat hem is voorgehouden toen hij zijn kavel op het landgoed kocht. Dit levert volgens hem strijd op met het bestemmingsplan.

Bestreden besluit

4. Met het bestreden besluit heeft het college aan [bedrijf] B.V. – voor zover hier van belang – de volgende lasten onder dwangsom opgelegd:

1. De bomen en struiken inclusief stronken en wortels in de deelgebieden ‘Kruiden- en faunarijk grasland’, ‘Nat schraalland’ en ‘Rietlanden’ vóór 1 mei 2026 verwijderen en verwijderd houden, onder last van een dwangsom van € 2.000,- per week met een maximum van € 20.000,- dat de begunstigingstermijn wordt overschreden;

(…);

8. vóór 1 mei 2026 alle vier de kadewegen die nu bestaan uit een enkele smalle rijstrook half verharding (zand met een soort split) of enkel gras (dus ook de achterste kadeweg die momenteel slechts bestaat uit een graspad) alsnog conform het landschapsplan aanleggen, door deze uit te voeren met twee smalle rijstroken van elk circa 150 cm breed bestaande uit een ondergrond van gebakken klinkers of half verharding waartussen een strook gras is gesitueerd, zodat het de uitstraling krijgt van een boerenpad, onder last van een dwangsom van € 250,- per week met een maximum van € 2.500,- dat de begunstigingstermijn wordt overschreden.

Omvang van het verzoek

5. Blijkens het verzoekschrift is het verzoek beperkt tot de lasten 1 en 8.

Spoedeisend belang

6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers weliswaar geen dwangsommen kunnen verbeuren, maar dat het voldoen aan de opgelegde lasten door [bedrijf] B.V. vereist dat min of meer ingrijpende en niet of slechts bezwaarlijk omkeerbare (grond)werkzaamheden worden verricht in de directe nabijheid van hun woningen. Verzoekers hebben daarom een voldoende spoedeisend belang bij hun verzoek.

Belanghebbendheid van verzoekers

7. Het college stelt zich op het standpunt dat verzoekers geen belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zodat het verzoek reeds daarom moet worden afgewezen.

8. Verzoekers voeren aan dat zij belanghebbenden zijn omdat zij op het landgoed wonen, zodat hun woon- en leefomgeving door het besluit wordt geraakt. Verder stellen zij dat zij een recht van overpad hebben op de wegen die onderwerp zijn van het bestreden besluit en dat zij financieel bijdragen aan het onderhoud van het landgoed.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat alleen de overtreder belanghebbende is bij een hem opgelegde last onder dwangsom, omdat alleen hij de dwangsom kan verbeuren. Dit sluit echter niet uit dat ook een ander dan de overtreder belanghebbende kan zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Van belanghebbendheid is onder meer sprake als er een reële mogelijkheid bestaat dat verzoekers worden geraakt in een aan een zakelijk recht of fundamenteel recht ontleend zelfstandig belang.

Gelet op de door verzoekers naar voren gebrachte feitelijke, juridische en financiële binding met het gebied waarop de lasten betrekking hebben en in aanmerking genomen dat de noodzakelijke werkzaamheden van wezenlijke invloed zijn op hun directe woon- en leefomgeving, ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat verzoekers niet als belanghebbenden bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.

Standpunten van partijen

9. Verzoekers voeren in hoofdzaak aan dat er geen reden is waarom in deze zaak de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht alvorens (eventueel) uitvoering wordt gegeven aan de opgelegde lasten onder dwangsom.

10. Het college heeft – hierin gesteund door belanghebbende – afwijzing van het verzoek bepleit.

Belangenafweging

11. In de uitspraak van heden in de zaak SGR 26/3502 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige vorziening van [bedrijf] B.V. toegewezen en – voor zover hier van belang – de lasten 1 en 8 van het bestreden besluit geschorst tot zes weken na het te nemen besluit op bezwaar. De voorzieningenrechter ziet in wat partijen hebben aangevoerd geen aanleiding om in deze procedure anders te oordelen. Niet gebleken is van zwaarwegende belangen aan de zijde van het college of belanghebbende bij uitvoering van de lasten 1 en 8 op korte termijn, terwijl daartegenover het belang staat van verzoekers om vooralsnog gevrijwaard te blijven van de (grond)werkzaamheden waartoe de lasten 1 en 8 noodzaken. De belangenafweging valt daarmee uit in het voordeel van verzoekers, zodat het verzoek zal worden toegewezen.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 19 februari 2026, voor zover in deze procedure aangevochten, wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Er is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe;

- schorst het bestreden besluit, voor zover het de lasten 1 en 8 betreft, tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand