RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5166
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. de Haan),
en
(gemachtigde: mr. I. van Es).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 20 december 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Tevens is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, waarin staat dat eiser binnen vier weken moet vertrekken.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren in Doger, dat behoort tot het gebied Al-Hasaka. Hij behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiser komt uit het DAANES-gebied, Noordoost-Syrië. Eiser is lid van de Yekiti-partij, ofwel de Koerdisch Democratische Eenheid Partij. Deze partij is verwant aan de Koerdische Nationale Raad, ook wel ENKS of KNC genoemd. Eiser stelt dat in 2022 een conflict is ontstaan tussen zijn broer en leden van een familie, die lid zijn van de Koerdisch-Syrische PYD. Die familie wilde dat eisers familie zich bij die partij zou aansluiten. Eén lid van die familie heeft eisers broer mishandeld. Eiser wilde zich niet bij de PYD aansluiten. In 2024 heeft eiser Syrië verlaten vanwege deze bedreiging alsook vanwege de algemene oorlogssituatie in Syrie.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
- De problemen met de PYD-leden.
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig. De minister gaat ervan uit dat eiser de Syrische nationaliteit heeft, dat hij is geboren op [geboortedatum] en dat hij tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort. Dit maakt volgens de minister niet dat eiser te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De minister heeft de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief in het midden gelaten, maar acht de problemen en discriminatie onvoldoende zwaarwegend. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij nog altijd heeft te vrezen voor de familie die lid is van de PYD. Gelet op het feit dat de ENKS en PYD het eens zijn geworden over een gemeenschappelijke politieke visie, is het niet langer aannemelijk dat de familie waar voor eiser stelt te vrezen, eiser nog altijd iets aan zou willen doen. Dat eiser uit Syrië komt, is op zichzelf niet genoeg om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Ook geldt voor heel Syrië dat de algemene veiligheidssituatie is ingeschaald op een lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft geen individuele omstandigheden aangetoond waarmee hij meer risico zou lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel
risico loopt op ernstige schade?
5. Op 11 december 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat ook humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict, moeten worden betrokken in de beoordeling. Dit oordeel is herhaald in meer uitspraken van deze rechtbank, waaronder die van 4 februari 2026 en 25 maart 2026.
6. Eiser heeft (onder meer) aangevoerd dat de minister zijn standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië niet voldoende heeft gemotiveerd. Eiser is van mening dat de minister de humanitaire omstandigheden als gevolg van het jarenlange repressieve regime niet kenbaar heeft betrokken in de besluitvorming. Eiser stelt dat op dit moment niet meer ter discussie lijkt te staan of humanitaire omstandigheden ook betrokken moeten worden bij de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (hierna: 15c). Eiser wijst in dit verband op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 11 december 2025. Ook heeft eiser gewezen op het ambtsbericht van mei 2025, waarin de veiligheidssituatie in Syrië als volatiel en instabiel wordt omschreven. Eiser wijst tevens op het ambtsbericht van januari 2026. Hieruit blijkt dat er sprake is van een fragiele situatie in Syrië. De veiligheidssituatie is nog steeds volatiel en instabiel. Eiser wijst ook op het bericht van UNHCR van 8 december 2025 waarin wordt benadrukt dat van gedwongen terugkeer van vluchtelingen moet worden afgezien, omdat de situatie in Syrië nog steeds fluïde is, en gelet op de slechte humanitaire omstandigheden. Tevens wijst eiser op een bericht van Amnesty International van 21 januari 2026, dat gaat over recente hernieuwde vijandelijkheden met name richting Koerden.
Naar de mening van eiser kan dan ook niet worden volstaan met het verwijzen naar het
landgebonden beleid zoals neergelegd in paragraaf C7 van de Vc 2000, dat voor het laatst in juni 2025 is gewijzigd. De beleidswijziging van juni 2025 is gebaseerd op het ambtsbericht van mei 2025 waarin geen rekening is gehouden met de recente ontwikkelingen in Noordoost-Syrië.
Dit alles leidt tot de conclusie dat het beleid in de Vc 2000, dat er in heel Syrië sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld, niet is gebaseerd op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft eiser ter zitting nog gewezen op meerdere uitspraken.
7. De minister stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat in geheel Syrië, dus ook in de regio Al-Hasakah waar eiser vandaan komt, sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. De minister stelt zich op het standpunt dat alle relevante informatie is betrokken bij de beoordeling van de nieuwe gradatie van willekeurig geweld in Syrië. Ten aanzien hiervan verwijst de minister naar het ambtsbericht Syrië d.d. mei 2025, de Beslisnota van de Minister over het landenbeleid Syrië, de brief van de Minister aan de Tweede Kamer over het landenbeleid Syrië, en de bijlage 15c. De minister wijst ook op het Country Guidance Rapport Syria december 2025 van de EUAA. Volgens dit rapport is er sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in het hele land. De minister stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken van grootschalige of een toename aan veiligheidsincidenten, gevechten of geweldsuitbarstingen in Al-Hasakah, waarbij veel burgers slachtoffer werden van willekeurig geweld. De minister wijst hierbij op cijfers van ACLED. Het geringe aantal ernstige veiligheidsincidenten, vormt een indicatie voor het aannemen van de laagste gradatie van willekeurig geweld in Al-Hasakah. De minister oordeelt dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen die het aannemelijk maken dat hij een verhoogd risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
8. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om anders te oordelen over het standpunt van de minister over willekeurig geweld in Syrië dan in de uitspraak van 11 december 2025. Hoewel een deel van die uitspraak is gewijd aan de regio Homs, is het merendeel van de uitspraak van toepassing op de algemene veiligheidssituatie in heel Syrië. De uitspraak is dus ook van toepassing op de regio Al-Hasaka waar eiser naar zou moeten terugkeren. De minister heeft dus naar het oordeel van de rechtbank zijn standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië onvoldoende gemotiveerd, waardoor onvoldoende duidelijk is of eiser een risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Syrië. De rechtbank kan zonder een goed gemotiveerd standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië ook niet beoordelen welke individuele omstandigheden een reëel risico op ernstige schade kunnen meebrengen. Bovendien is op het hoger beroep tegen de voornoemde uitspraak van 11 december 2025 nog geen uitspraak gedaan. De beroepsgrond slaagt.
9. De rechtbank verklaart het beroep om die reden al gegrond. De overige aangevoerde, maar niet in deze uitspraak weergegeven gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en daarmee in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en hij ter zitting aanwezig was. Verder zijn er geen kosten gemaakt die kunnen worden vergoed.
Beslissing:
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 22 januari 2026;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.