RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6839
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. C. Chen),
en
(gemachtigde: mr. I. van Es).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 23 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Aan eiser is tevens een terugkeerbesluit opgelegd waarin is bepaald dat eiser binnen vier weken moet vertrekken.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.
Eiser heeft verklaard dat hij tot de Arabische bevolkingsgroep behoort. Eiser komt uit de plaats Salamiyah, Hama. Eiser heeft verklaard Syrië te hebben verlaten op 31 oktober 2023, omdat het steeds gevaarlijker werd in Syrië en het vertrek de enige manier was om te overleven. Eiser heeft verklaard dat hij bedreigd werd vanwege zijn werk als controleur van een stroombedrijf. Eiser loopt tevens gevaar omdat hij Ismaïliet is en tot een religieuze minderheid behoort. Eiser vreest voorts vanwege zijn uitingen op zijn Telegrampagina. Eiser heeft ook aangevoerd dat hij als Alawiet wordt beschouwd vanwege zijn ID-kaart. Op die kaart wordt een afgifteplaats vermeld, waar veel Alawieten wonen. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser voor het nieuwe regime. Hij is bang te worden gearresteerd, onderdrukt of misschien vermoord te worden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Eisers problemen vanwege zijn werkzaamheden;
- Eisers vrees vanwege zijn uitingen op Telegram;
- Eisers vrees dat hij als Alawiet wordt beschouwd vanwege zijn ID-kaart.
Het eerste asielmotief acht de minister geloofwaardig. Daarmee gaat de minister ervan uit dat eiser geboren is op [geboortedatum] , de Syrische nationaliteit heeft en dat hij behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Dat eiser uit Syrië komt en Ismaïliet is, is onvoldoende om hem als vluchteling toe te laten.
De minister acht de problemen vanwege eisers werkzaamheden niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel.
Eisers vrees voor vervolging vanwege zijn uitingen op Telegram is niet aannemelijk. Evenmin heeft eiser zijn vrees als Alawiet te worden beschouwd en hij daarom zal worden vervolgd aannemelijk gemaakt.
Eiser heeft niet aannemelijk dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 EVRM. De minister neemt voor heel Syrië aan dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Er zijn meerdere rechtbanken die het door de minister gevoerde beleid gevolgd hebben. De humanitaire omstandigheden zijn volgens de minister meegenomen in het beoordelingskader. Bij de totstandkoming van het beleid heeft de minister de gehele situatie in Syrië zorgvuldig betrokken en beoordeeld. Eisers beroep op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem en zittingsplaats Den Bosch kan niet slagen. Bovendien ziet de uitspraak van Den Bosch op de provincie Aleppo. Eiser is niet afkomstig uit Aleppo. Eiser heeft geen individuele omstandigheden aangedragen die aangemerkt kunnen worden als risico verhogende omstandigheid.
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel
risico loopt op ernstige schade?
5. Op 11 december 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat ook humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict, moeten worden betrokken in de beoordeling. Dit oordeel is herhaald in meer uitspraken van deze rechtbank, waaronder die van 4 februari 2026 en 25 maart 2026.
6. Eiser heeft (onder meer) aangevoerd dat de minister zijn standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië niet voldoende heeft gemotiveerd. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat in Syrië de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. Eiser wijst in dit verband op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem en de uitspraak van zittingsplaats Den Bosch. Eiser is van mening dat de minister de algemene humanitaire situatie in Syrië niet kenbaar heeft betrokken in de besluitvorming. Eiser stelt dat op dit moment niet meer ter discussie lijkt te staan of humanitaire omstandigheden ook betrokken moeten worden bij de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (hierna: 15c). Eiser wijst tevens op een uitspraak van 23 februari 2026 en een uitspraak van 23 maart 2026. Eiser heeft voorts gewezen op een rapport van de Human Rights Council van 12 maart 2026 waaruit blijkt dat er geen sprake is van een veilige situatie in Syrië. Ook gelet op de inhoud van dit rapport heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd waarom er sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld.
7. De minister stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat in geheel Syrië, dus ook in de provincie Hama, waar eiser vandaan komt, sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. Alle relevante informatie is betrokken bij de beoordeling van de nieuwe gradatie van willekeurig geweld in Syrië. Ten aanzien hiervan verwijst de minister naar het ambtsbericht Syrië d.d. mei 2025, de Beslisnota van de Minister over het landenbeleid Syrië, de brief van de Minister aan de Tweede Kamer over het landenbeleid Syrië, en de bijlage 15c. De minister wijst ook op het ambtsbericht Syrië van januari 2026 en het Country Guidance Rapport Syria december 2025 van de EUAA.
De minister stelt zich op het standpunt dat gelet op het (relatief geringe) aantal veiligheidsincidenten, het aantal terugkeerders naar de provincie Hama, de algemene situatie en maatregelen t.a.v. oorlogsresten en mijnen in Hama en de omstandigheid dat de humanitaire situatie aldaar niet gerelateerd is aan het lopende gewapende conflict of slechts in beperkte mate, waarbij niet is gebleken dat de situatie in deze provincie extra zorgelijk is ten opzichte van andere provincies, (nog altijd) sprake is van een relatief lage mate van
willekeurig geweld in Hama. De minister oordeelt dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen die het aannemelijk maken dat hij een verhoogd risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
8. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om anders te oordelen over het standpunt van de minister over willekeurig geweld in Syrië dan in de uitspraak van 11 december 2025. Hoewel een deel van die uitspraak is gewijd aan de regio Homs, is het merendeel van de uitspraak van toepassing op de algemene veiligheidssituatie in heel Syrië. De uitspraak is dus ook van toepassing op de provincie Hama waar eiser naar zou moeten terugkeren. De minister heeft dus naar het oordeel van de rechtbank zijn standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië onvoldoende gemotiveerd, waardoor onvoldoende duidelijk is of eiser een risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Syrië. De rechtbank kan zonder een goed gemotiveerd standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië ook niet beoordelen welke individuele omstandigheden een reëel risico op ernstige schade kunnen meebrengen. Bovendien is op het hoger beroep tegen de voornoemde uitspraak van 11 december 2025 nog geen uitspraak gedaan. De beroepsgrond slaagt.
9. De rechtbank verklaart het beroep om die reden al gegrond. De overige aangevoerde, maar niet in deze uitspraak weergegeven gronden behoeven daarom geen bespreking meer. De rechtbank stelt tot slot vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het door de minister ongeloofwaardige bevonden asielmotief.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en daarmee in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en hij ter zitting aanwezig was. Verder zijn er geen kosten gemaakt die kunnen worden vergoed.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 3 februari 2026;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.