ECLI:NL:RBDHA:2026:15473

ECLI:NL:RBDHA:2026:15473

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-06-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer NL26.14376
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

de minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser aan de hand van de beschikbare stukken als ongeloofwaardig mogen afdoen. De minister heeft het asielrelaas van eiser met betrekking tot de overige asielmotieven dan ook terecht niet inhoudelijk beoordeeld. Ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.14376

(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),

en

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft eerder, namelijk op 24 november 2023, een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 28 maart 2024 heeft de minister de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan.

Op 19 september 2024 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 18 november 2024 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser niet is verschenen op zijn gehoor.

Op 2 december 2024 heeft eiser opnieuw een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 27 februari 2025 is ook deze aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken.

3. Eiser heeft op 10 februari 2026 opnieuw een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum]. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 11 maart 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft op 16 maart 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van de minister zijn met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag zijn homoseksuele gerichtheid en daaruit voortkomende problemen.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:

De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig. Eiser heeft geen (objectieve) documenten ingediend en onvoldoende inspanning verricht om deze documenten wel te verkrijgen. Hierbij weegt mee dat eiser heeft verklaard in het bezit te zijn van een nationaal paspoort van Algerije. Ook heeft eiser niet samenhangend en aannemelijk verklaard over zijn nationaliteitsverklaring. Als laatste weegt de minister mee dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd, nu hij zich bij andere Europese autoriteiten heeft bediend van meerdere aliassen en wisselend heeft verklaard over zijn identiteitsgegevens.

Nu de minister identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig acht, beoordeelt de minister zijn asielrelaas, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 24 december 2015 en 6 februari 2017, daarom niet inhoudelijk. De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat eiser de minister heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit.

Standpunt eiser

6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft afgezien van een inhoudelijke beoordeling van zijn asielrelaas uitsluitend omdat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig worden geacht. Eiser meent dat duidelijk is dat hij afkomstig is uit een Noord-Afrikaans land, waar homoseksualiteit in het algemeen strafbaar is gesteld dan wel feitelijk niet wordt geaccepteerd. In landen zoals Algerije, Egypte, Marokko, Tunesië, Libië, Mauritanië en Soedan worden LHBTI-personen geconfronteerd met strafrechtelijke vervolging, discriminatie, geweld en een gebrek aan effectieve bescherming door de autoriteiten. Volgens eiser loopt hij vanwege zijn homoseksuele gerichtheid bij terugkeer een reëel risico op vervolging dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

Verder voert eiser aan dat de minister het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, nu hij nauwelijks is gehoord over zijn gestelde homoseksualiteit. Eiser stelt dat schaamte en taboe rondom homoseksualiteit in zijn land van herkomst verklaren waarom hij dit niet eerder naar voren heeft gebracht. Volgens eiser had de minister hem nader moeten horen en in de gelegenheid moeten stellen zijn seksuele gerichtheid uitgebreider toe te lichten.

De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser

7. Niet in geschil is dat eiser zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten. Daarom heeft de minister terecht beoordeeld of eiser voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. In dit geval heeft de minister dit beoordeeld aan de hand van onderdeel a, b, c, d en e van dit artikellid en de Werkinstructie. Het is aan eiser om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken.

De rechtbank oordeelt dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser gelegenheid heeft gehad om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken en dat hij hierin niet is geslaagd. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser het nader gehoor op eigen initiatief voortijdig heeft beëindigd, zonder dat de door hem gestelde medische klachten daarvoor een afdoende verklaring vormden. Verder heeft de minister eiser mogen tegenwerpen dat hij, ondanks eerdere contacten met de autoriteiten en het gestelde bezit van een Algerijns paspoort, geen identificerende documenten heeft overgelegd en evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij pogingen heeft ondernomen om vervangende documenten te verkrijgen. Daarnaast heeft de minister mogen meewegen dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn identiteit, geboorteplaats en nationaliteit, nu hij eerder tegenover de Nederlandse autoriteiten andere persoonsgegevens heeft opgegeven dan tijdens het nader gehoor. Ook heeft de minister eiser mogen tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, terwijl hij al geruime tijd in Nederland verbleef. Tot slot heeft de minister van belang mogen achten dat eiser zich zowel in Nederland als in andere Europese landen van meerdere aliassen heeft voorzien. De minister heeft daarom deze gegevens die gaan over zijn persoon als ongeloofwaardig kunnen afdoen.

8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser aan de hand van de beschikbare stukken als ongeloofwaardig mogen afdoen. Uit vaste rechtspraak volgt dat asielmotieven enkel betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. De minister heeft het asielrelaas van eiser met betrekking tot de overige asielmotieven dan ook terecht niet inhoudelijk beoordeeld.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen asielvergunning krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van

A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.J. van der Veen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand