Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder,
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/7584
en
en
Procesverloop
Verweerder heeft met dagtekening 27 februari 2024 aan eiseres voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.010 (de aanslag). Tegelijk met deze aanslag heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 61 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 juli 2024 de aanslag en de rentebeschikking gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2026.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. F. Vinkestijn en mr. F. Jagtman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1976 en is woonachtig in Nederland. Zij was van 1 december 2011 tot en met 31 juli 2021 in dienst bij de [werkgever]. Het dienstverband eindigde vanwege blijvende invaliditeit van eiseres. Eiseres ontvangt sindsdien een invalidity pension, een household allowance en een tax adjustment van [werkgever].
2. Op grond van het oprichtingsverdrag van [werkgever] zijn de salarissen en emolumenten van haar werknemers onderworpen aan een belasting ten gunste van [werkgever] (de interne heffing) en vrij van Nederlandse inkomstenbelasting. De vrijstelling van Nederlandse belastingheffing strekt zich alleen uit tot inkomen uit tegenwoordige arbeid.
3. [werkgever] kent een eigen systeem van sociale zekerheid. In verband daarmee zijn (oud-) medewerkers, onder voorwaarden, vrijgesteld van Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Bij besluit van 6 december 2022 heeft de Sociale Verzekeringsbank eiseres met ingang van 1 augustus 2021 ontheffing verleend van de verplichte volksverzekeringen voor de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet.
4. Onderdeel van het socialezekerheidsstelsel van [werkgever] is de regeling die is neergelegd in de ‘New Pension Scheme Rules and Instructions’, of ‘NPS’, van 27 mei 2010 (de regeling). De regeling voorziet in inkomensvoorzieningen bij ouderdom, bij overlijden ten behoeve van de partner, kinderen en pleegkinderen en bij arbeidsongeschiktheid. De inkomensvoorziening bij arbeidsongeschiktheid – het invalidity pension (hierna: invaliditeitspensioen) – geldt tot de pensioendatum; met ingang van die datum komt daarvoor het ouderdomspensioen in de plaats. Op grond van de artikelen 28 en 42 van de regeling hebben de ontvangers van ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen onder voorwaarden aanspraak op family allowances – waaronder de household allowance – en tax adjustment.
5. Artikel 41 van de regeling draagt het opschrift “Staff member’s contribution – costing the scheme” en bepaalt (met weglating van voetnoten):
“1. Staff members shall contribute to the NPS.
2. The staff member’s contribution shall be calculated as a percentage of their salaries and shall be deducted monthly.
3. The rate of the staff contribution shall be set so as to represent the cost, in the long term, of 40% of the benefits provided under these Rules. The rate shall be 9,3%. This rate shall be reviewed every five years on the basis of an actuarial study, the procedures for which are appended hereto. The staff contribution rate shall be adjusted, the rate being rounded to the nearest first decimal.
(…)”
6. Tot de gedingstukken behoort de loonstrook over juli 2021 van eiseres, waaruit blijkt dat de door eiseres ter zake van de pensioenregeling verschuldigde werknemersbijdrage werd ingehouden op haar salaris na aftrek van de interne heffing.
7. Tot de stukken van het geding behoort verder een schriftelijke verklaring van 15 december 2025 van ISRP (International Service for Remunerations and Pensions). ISRP is het gezamenlijke dienstencentrum van de zes gecoördineerde internationale organisaties, waaronder [werkgever], en fungeert onder andere als de pensioenuitvoerder van deze organisaties. ISRP verklaart dat:
- eiseres van 1 december 2011 tot 31 juli 2021 staff member was van [werkgever];
- zij op grond van de [werkgever] Staff Regulations verplicht deelnemer was aan het ‘New Pension Scheme’;
- haar bijdragen aan die regeling verplicht werden ingehouden van haar maandelijkse salaris, en
- deze regeling naast een retirement pension voorziet in een invalidity pension, alsmede in family allowances voor de ontvangers hiervan.
8. Voorts behoort tot de stukken de schriftelijke verklaring van 10 september 2025 van PACTI, een actuarieel adviesbureau, die luidt:
“[werkgever] New Pension Scheme – Financing of Invalidity Pensions
Referring to your 29 August 2025 email and our subsequent telephone conversation, the purpose of this letter is to clarify the financing of the invalidity pensions provided by the [werkgever]’s New Pension Scheme (NPS) in the context of your discussion with the Dutch tax authorities.
During the preceding decades, I provided actuarial assistance to the Staff Associations of the Coordinated Organisations (i.e. Council of Europe, [werkgever], NATO, OECD, etc.) in connection with the quinquennial determination of the staff contribution rates to the pension schemes as well as plan amendments and changes made to the actuarial methods applied to finance the benefits provided by the pension schemes. As such, I have a clear view on the financing of the benefits provided by the NPS.
The NPS basically provides retirement pensions, invalidity pensions and survivor pensions.
Those benefits are financed through staff contributions and employer contributions.
As per article 41 of the Pension Scheme Rules and Instructions, the rate of the staff contributions is set so as to represent the cost, in the long term, of 40% of the benefits provided by the NPS. More specifically, in accordance with the Annex to article 41, the staff contribution rate is calculated based on the following formula:
40% of the present value of (all) future benefits provided by the NPS, related to future service, divided by the present value of future salaries.
The underlying actuarial assumptions include a discount rate, mortality tables, disability rates, turnover rates, assumed retirement ages, salary increases, etc.
The invalidity pensions are financed in exactly the same way as retirement pensions.
The contributions paid by the staff and [werkgever] are paid / accumulated into the [werkgever] Pension Buffer Fund.
Those contributions plus the investment returns thereon are ultimately used to pay out the benefits. (…).”
9. Artikel 42 van de regeling, met het opschrift “Pensions which are subject to national tax legislation”, bepaalt:
“1. The recipient of a pension under these Rules shall be entitled to the adjustment applying to the Member Country of the Agency in which the pension and adjustment relating thereto are chargeable to income tax under the tax legislation in force in that country.
(…)”
De bij artikel 42 in de pensioenregeling gegeven Instruction 42/6, met het opschrift “Financing the adjustment”, bepaalt:
“1. The cost of the adjustment provided for in Article 42 of the Pension Scheme Rules shall be borne by the country in which the recipient thereof is subject to taxes on income for the period considered.
2. (…)”
Naar door verweerder onweersproken gesteld, wordt de tax adjustment die [werkgever] uitbetaalt aan in Nederland belastingplichtige oud-werknemers door haar gefinancierd uit de bijdragen die zij ontvangt van het ministerie van Economische Zaken.
10. Het ‘statement of benefits’ van [werkgever] voor het jaar 2021 vermeldt € 30.882 als het totale bedrag dat zij in dat jaar aan “benefits arising under the pension scheme” aan eiseres heeft uitbetaald, uitgesplitst in € 29.641 aan ‘benefits’ en € 1.241 aan ‘tax adjustment’.
11. Eiseres heeft op 9 februari 2023 een aangifte IB 2021 ingediend, waarin zij € 30.882 heeft verantwoord als inkomen uit vroegere arbeid. Op 6 juli 2023 heeft zij een herziene aangifte IB 2021 ingediend. Daarin heeft zij aan inkomen uit vroegere arbeid € 20.588 verantwoord, zijnde 2/3-de van het totaal door haar uit hoofde van de pensioenregeling in 2021 ontvangen bedrag. Eiseres heeft daarbij in zoverre de uitgangspunten gevolgd van het Besluit pensioenen Internationale Organisaties (het Besluit). Als grondslag sparen en beleggen vermeldt de aanslag het bedrag van nihil.
12. Verweerder heeft met dagtekening 27 februari 2024, in afwijking van de herziene aangifte van eiseres, de aanslag IB 2021 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.010. Dat bedrag bestaat voor € 30.882 uit de uitkeringen en voor € 128 uit inkomsten uit de eigen woning.
Geschil
13. Tussen partijen is in geschil of verweerder het invalidity pension, de household allowance en tax adjustment van [werkgever] (de uitkeringen) terecht voor het geheel als inkomen uit werk en woning (box 1) in de belastingheffing heeft betrokken.
14. Eiseres stelt zich in beroep nader op het standpunt dat niet meer dan 60% van de door haar uit hoofde van de regeling ontvangen uitkeringen, ofwel € 18.529, belastbaar is als inkomen uit werk en woning. Aan dit standpunt legt zij ten grondslag dat de regeling voor 40% wordt bekostigd door werknemersbijdragen die worden ingehouden op het netto-inkomen, zodat de aanspraak in zoverre was belast met de interne heffing. Eiseres beroept zich daarbij niet langer op het Besluit. Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat het recht op uitkeringen niet belast is in box 3, primair met een beroep op de rangorderegeling en subsidiair met een beroep op het zogenoemde kerstarrest.
15. Het standpunt van verweerder is primair dat de uitkeringen uit hoofde van de regeling integraal als inkomen uit werk en woning zijn belast. Subsidiair stelt hij dat de household allowance en tax adjustment moeten worden onderscheiden van het invaliditeitspensioen en dat de door eiseres bepleite uitsplitsing in een belast en onbelast deel in ieder geval niet geldt voor de household allowance en de tax adjustment. Verder stelt verweerder, eveneens subsidiair, dat voor zover de uitkeringen niet als inkomen uit werk en woning belastbaar zijn, de waarde van de aanspraak op die uitkeringen tot de grondslag sparen en beleggen (box 3) behoort.
Beoordeling Inkomen uit werk en woning
16. Artikel 3.82, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 luidt:
“Tot loon wordt gerekend:
(...)
c. uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie, behoudens voor zover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting.”
17. Tussen partijen is niet in geschil dat de uitkeringen worden gedaan op grond van een pensioenregeling als bedoeld in genoemd artikel 3.82, aanhef en onderdeel c van de Wet IB 2001. Mede gelet op artikel 18, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 volgt de rechtbank partijen hierin. Verder is tussen partijen niet in geschil dat de interne heffing een naar aard en strekking met de loon- of de inkomstenbelasting overeenkomende heffing naar het inkomen is.
18. Daarmee komt het er voor de beslechting van het eerste geschilpunt op aan of en in hoeverre de aanspraak op (de arbeidsongeschiktheidsverzekering die leidde tot) het invalidity pension was onderworpen aan de interne heffing. Hiervoor rust de bewijslast op eiseres.
19. Uit de artikelen 41 en 42 van de regeling, de schriftelijke verklaringen van ISRP en PACTI en de loonstrook over juli 2021 leidt de rechtbank af dat:
- ter zake van de regeling reserveringen worden gedaan, waarvan de omvang wordt bepaald op basis van de contante waarde van de te verwachten uitkeringen zoals deze worden begroot aan de hand van sterftetabellen en arbeidsongeschiktheidsprognoses;
- daarbij alle te verwachten uitkeringen uit hoofde van de regeling met uitzondering van de tax adjustment in aanmerking worden genomen;
- [werkgever] voor 60% aan de reserveringen bijdraagt en de staff voor 40%;
- het aandeel van 40% van de staff naar rato van het salaris ten laste van de individuele werknemers wordt gebracht; en
- de individuele werknemers hun bijdrage betalen door inhouding van het nettoloon, dat wil zeggen over het salaris na aftrek van de interne heffing.
20. Het komt er derhalve op neer dat eiseres gedurende haar dienstverband enerzijds pensioenrechten opbouwde en anderzijds verzekerd was voor arbeidsongeschiktheid, en dat zij aan beide aanspraken met één bedrag per maand bijdroeg. Omdat die bijdrage werd ingehouden van het nettoloon, geldt in zoverre dat de aanspraken onderworpen waren aan de interne heffing; derhalve dat daarover een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden in de zin van artikel 3.82, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001.
21. Volgens verweerder slaagt eiseres niet in de op haar rustende bewijslast, om de reden dat niet kan worden vastgesteld in hoeverre de aanspraak op verzekering voor arbeidsongeschiktheid aan de interne heffing onderworpen was. Hij heeft in dit verband naar voren gebracht dat de verdeling van de kosten van de regeling ziet op de bijdragen van alle werknemers in relatie tot alle uitkeringen en niet valt na te gaan tot welke bedragen eiseres aan de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft bijgedragen, en dat – anders dan voor zover het pensioen betreft – niet sprake is van waarde-opbouw maar van een verzekering voor het risico van arbeidsongeschiktheid die alleen geldt zolang de werknemer in dienst is.
22. De rechtbank volgt verweerder niet in dit betoog. De waarde van de aanspraken als de onderhavige komt overeen met de kosten daarvan; dat wil zeggen de daarvoor verschuldigde premie of, in geval van eigen beheer, de daarvoor benodigde voorziening. Dat ter zake van de arbeidsongeschiktheidsverzekering – anders dan bij het pensioen – niet sprake is van waarde-opbouw, is eigen aan een risicoverzekering en is voor de voorliggende vraag niet van betekenis. Daarmee volstaan de constateringen dat 40% van de kosten van de regeling wordt gedragen door alle werknemers gezamenlijk, dat dit totaal naar rato van het salaris over de individuele werknemers wordt omgeslagen zodat de verhouding werknemers-/werkgeversbijdrage in het individuele geval altijd 40/60 is, en dat de individuele bijdrage van het nettosalaris wordt ingehouden, om eiseres geslaagd te achten in het bewijs dat 40% van de aanspraak op verzekering voor arbeidsongeschiktheid aan de interne heffing was onderworpen.
23. Het voorgaande geldt eveneens voor de household allowance welke uitkering onderdeel uitmaakt van de New Pension Scheme en waaraan de werknemers op dezelfde wijze als voor het invaliditeitspensioen bijdragen. In zoverre volgt de rechtbank het subsidiaire standpunt van verweerder niet. Het voorgaande geldt echter niet voor de tax adjustment, aangezien de kosten van de tax adjustment door [werkgever] worden bestreden uit de bijdragen die zij ter zake van het ministerie van Economische Zaken ontvangt. Daaraan dragen de werknemers niet bij, zodat de aanspraak op tax adjustment niet aan de interne heffing is onderworpen.
24. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat (niet meer dan) 60% van de invalidity- en household-uitkeringen op grond van artikel 3.82, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 tot het in Nederland belastbare loon behoort, en de tax adjustment in haar geheel. Daarmee is van de totale uitkering die eiseres in het onderhavige jaar uit hoofde van de regeling ontving een bedrag van € 19.026 belast in box 1. Met inachtneming van de inkomsten uit eigen woning van € 128 is het inkomen uit werk en woning daarmee € 19.154.
Inkomen uit sparen en beleggen
25. Het tweede geschilpunt is of 40% van de invaliditeitsuitkering die niet belastbaar is in box 1, belastbaar is in box 3.
26. Eiseres stelt dat uit de rangorderegeling van artikel 2.14 van de Wet IB 2001 volgt dat de uitkeringen uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering in het geheel niet als inkomen uit sparen en beleggen belastbaar zijn. Dit standpunt is onjuist. Het is niet zo dat de uitkeringen (deels) zijn vrijgesteld in box 1 (waardoor dat deel niet meer in box 3 zou kunnen worden belast). De uitkeringen zijn enkel belast in box 1 voor zover de aanspraak niet aan de interne heffing was onderworpen. Voor het overige is de invaliditeitsuitkering belastbaar als inkomen uit sparen en beleggen op de voet van hoofdstuk 5 van de Wet IB 2001.
27. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat het recht op de invaliditeitsuitkering in het onderhavige jaar niet tot box 3-belasting leidt. De reden is dat de grondslag sparen en beleggen de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar is (artikel 5.2, tweede lid, van de Wet IB 2001). Eiseres verkreeg eerst in de loop van 2021 het recht op de invaliditeitsuitkering, met de vaststelling dat zij arbeidsongeschikt was geraakt, zodat op 1 januari 2021 nog geen recht bestond op die uitkering en de daaraan toe te kennen waarde op die datum dus € 0 bedraagt.
28. Hetgeen eiseres in dit kader overigens nog heeft aangevoerd, behoeft geen behandeling.
Belastingrente
29. Nu het belastbaar inkomen wordt verlaagd, dient de in rekening gebrachte belastingrente overeenkomstig te worden verminderd.
Immateriële schadevergoeding
30. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen is twee jaar. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de aanslag IB 2021 op 4 maart 2024 ontvangen. De rechtbank doet op 10 juni 2026 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met (naar boven afgerond) 4 maanden. Aangezien verweerder met dagtekening 30 juli 2024 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is de overschrijding volledig aan de beroepsfase toerekenbaar. Eiseres heeft recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500, te betalen door de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid).
Proceskostenvergoeding
31. Nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.154;
- vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van een immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 500, en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten, voorzitter, en mr. M.J. Pelinck en mr. A.J.M. Arends, leden, in aanwezigheid van mr. A. Pavkovic, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).