RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23330
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Hoorplicht
1. Eiser voert allereerst aan dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling onzorgvuldig en onvolledig is geweest. Volgens eiser is niet voldoende duidelijk gemaakt dat het aan hem is om bijzondere feiten en omstandigheden naar voren te brengen op grond waarvan de bewaring achterwege moet blijven. Verweerder heeft hier ook geen concrete vragen over gesteld. Als gevolg hiervan heeft verweerder onvoldoende informatie vergaard over de af te wegen belangen in het kader van het opleggen van een lichter middel. Volgens eiser leidt dit tot een schending van het verdedigingsbeginsel waardoor eiser in zijn belangen is geschaad.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat aan eiser is meegedeeld wat de maatregel van bewaring inhoudt en dat hij zijn zienswijze kan geven op het voornemen om een maatregel op te leggen. Uit pagina 3 van het proces-verbaal blijkt dat verweerder aan eiser heeft gevraagd of er volgens hem een lichter middel dan vreemdelingenbewaring kan worden opgelegd, waarop eiser ontkennend heeft geantwoord. Hiermee heeft verweerder eiser voldoende gelegenheid geboden zich uit te laten over de maatregel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake was van een onzorgvuldig of onvolledig gehoor. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist de zware gronden 3a, 3b en 3k en de lichte grond 4c. Met betrekking tot zware grond 3a voert eiser aan dat hij Nederland is ingereisd zonder visum of paspoort, maar dat dit hem niet kan worden tegengeworpen omdat hij in Nederland asiel wilde aanvragen. Zware grond 3b kan eiser ook niet worden tegengeworpen. Eiser was zich namelijk niet bewust van zijn rechten en plichten en is hierdoor vertrokken. Verder toont eiser medewerking aan zijn uitzetting, echter heeft hij verzocht om uitzetting naar het land van herkomst. Daarom kan zware grond 3k hem ook niet worden tegengeworpen. Met betrekking tot lichte grond 4c voert eiser aan dat hij een vaste woon- en verblijfplaats had in het COA aangezien hij asiel had aangevraagd.
De rechtbank overweegt dat de onbestreden gronden 3c en 4d, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, de maatregel al kunnen dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bewaringsgronden kunnen daarom onbesproken blijven.
Lichter middel
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Daartoe voert eiser aan dat hij meewerkt aan zijn vertrek en dat de bewaring hem erg zwaar valt.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat of dat eiser de uitzettingsprocedure zal ontwijken of belemmeren. Hoewel eiser heeft verklaard dat hij zal meewerken aan terugkeer naar Libië is die enkele verklaring onvoldoende om te kunnen volstaan met een meldplicht. De rechtbank verwijst in dat kader ook naar de onbestreden gronden 3c en 4d, waaruit een onttrekkingsrisico volgt. Ook beschikt eiser niet over de vereiste documenten om naar Libië te kunnen reizen. Verder heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom eiser niet detentieongeschikt is bevonden. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
4. Eiser voert ten slotte aan dat het zicht op uitzetting naar Libië ontbreekt.
De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Libië niet ontbreekt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4156). De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat in het concrete geval van eiser het zicht op uitzetting naar Libië ontbreekt. Niet is gebleken dat de Libische autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.