ECLI:NL:RBDHA:2026:15479

ECLI:NL:RBDHA:2026:15479

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer NL26.23334
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, hoorplicht, bewaringsgronden, lichter middel, zicht op overdracht

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.23334

(gemachtigde: mr. M. Taheri),

en

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Sareen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Hoorplicht

1. Eiser voert allereerst aan dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling onzorgvuldig en onvolledig is geweest. Volgens eiser is niet voldoende duidelijk gemaakt dat het aan hem is om bijzondere feiten en omstandigheden naar voren te brengen op grond waarvan de bewaring achterwege moet blijven. Verweerder heeft hier ook geen concrete vragen over gesteld. Als gevolg hiervan heeft verweerder onvoldoende informatie vergaard over de af te wegen belangen in het kader van het opleggen van een lichter middel. Volgens eiser leidt dit tot een schending van het verdedigingsbeginsel waardoor eiser in zijn belangen is geschaad.

De beroepsgrond dat eiser niet zorgvuldig en onvolledig zou zijn gehoord volgt de rechtbank niet. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat aan eiser is meegedeeld wat de maatregel van bewaring inhoudt en dat hij zijn zienswijze kan geven op het voornemen om een maatregel op te leggen (zie p. 6). Verder heeft verweerder eiser gevraagd naar zijn familie en medische situatie (zie p. 6). Uit pagina 7 van het proces-verbaal blijkt dat verweerder heeft opgemerkt dat er geen bijzondere omstandigheden naar voren zijn gebracht die bewaring onevenredig bezwarend zouden maken. Hiermee heeft verweerder eiser voldoende gelegenheid gegeven om zijn belangen naar voren te brengen. Er is geen sprake van een onzorgvuldig of onvolledig gehoor.

Bewaringsgronden

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser betwist de zware gronden 3a en 3b en de lichte grond 4a. Met betrekking tot zware grond 3a voert eiser aan dat hij Nederland is ingereisd zonder visum of paspoort, maar dat dit hem niet kan worden tegengeworpen omdat hij in Nederland asiel wilde aanvragen. Zware grond 3b kan eiser ook niet worden tegenworpen omdat hij op doorreis was naar Ierland om zijn asielaanvraag in Ierland voort te zetten. Met betrekking tot lichte grond 4a voert eiser aan dat hij wel wenst mee te werken aan de overdracht.

Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware grond 3a volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze grond zich feitelijk voordoet. Eiser is zonder (geldige) reisdocumenten Nederland ingereisd en daarmee staat vast dat eiser niet op de voorgeschreven wijze binnen is gekomen. Verweerder heeft zware grond 3a dan ook aan de maatregel ten grondslag kunnen leggen. Samen met de onbestreden lichte gronden 4c en 4d, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kan de zware grond 3a naar het oordeel van de rechtbank de maatregel al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige betwiste gronden kunnen daarom onbesproken blijven.

Lichter middel

3. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling, zoals een meldplicht. Daartoe voert eiser aan dat hij meewerkt aan zijn vertrek en de bewaring hem erg zwaar valt.

Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat of dat eiser de uitzettingsprocedure zal ontwijken of belemmeren. Gelet op de hiervoor onder 2.2. genoemde dragende gronden en de toelichting op die gronden bestaat er een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat eiser is aangetroffen in een trailer tijdens een poging tot illegale uitreis naar het Verenigd Koninkrijk. Daarnaast heeft eiser niet gesteld, en is de rechtbank niet gebleken, dat er andere persoonlijke belangen van eiser spelen die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding heeft moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Dat de bewaring hem zwaar valt is vervelend, maar in dit kader onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.

Zicht op overdracht

4. Eiser voert ten slotte aan dat het zicht op overdracht ontbreekt. Hiertoe voert hij aan dat hij vastzit zonder enig zicht op vrijlating of duidelijkheid over zijn situatie.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Op 22 april 2026 is een claimverzoek naar de Ierse autoriteiten verstuurd. Dat de Ierse autoriteiten hier tot op heden nog niet op hebben gereageerd betekent niet dat het zicht op overdracht ontbreekt. Ierland heeft tot 6 mei 2026 om te reageren en bij het uitblijven daarvan wordt Ierland van rechtswege verantwoordelijk.

Ambtshalve toetsing

5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.C. Harting

Griffier

  • mr. E.F. Derksen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand