ECLI:NL:RBDHA:2026:1548

ECLI:NL:RBDHA:2026:1548

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer NL25.36454
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

asiel - Turkmenistan - artikel 3 EVRM - bedreigingen met bloedwraak geloofwaardig - onderzoek ter zitting geschorst i.v.m. nieuw ingebrachte landeninformatie - BTI rapport 2024 - verweerder heeft onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat eiser bescherming kan krijgen tegen dit geweld - ECLI:NL:RVS:2025:2795 -beroep gegrond met opdracht om opnieuw te beslissen.

Uitspraak

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. drs. E.R. Weegenaar),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.T.M. Vroom-van Berckel).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.

Eiser heeft op 10 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend in Nederland.

Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 juli 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser schriftelijk te laten reageren op de door verweerder ingebrachte landeninformatie over Turkmenistan. Partijen hebben vervolgens nadere reacties ingebracht.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank het onderzoek vervolgens op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1998 en de Turkmeense nationaliteit te hebben. In 2019 is eiser naar Oekraïne vertrokken, waar hij een studie heeft gevolgd. Na de Russische invasie in Oekraïne heeft eiser besloten dit land te verlaten. Eiser heeft vervolgens asiel aangevraagd in Nederland, waarna hij als ontheemde derdelander afkomstig uit Oekraïne eerst een verblijfsrecht op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming heeft gehad. Na definitieve beëindiging van het verblijfsrecht van eiser onder deze Richtlijn heeft verweerder de asielaanvraag inhoudelijk behandeld en afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Turkmenistan een reëel risico op ernstige schade loopt. In 2021 is eiser als bestuurder van een auto betrokken geweest bij een verkeersongeluk waarbij twee van zijn bevriende medestudenten zijn overleden. Bij terugkeer naar Turkmenistan vreest eiser voor de represailles van de familieleden van deze overleden personen, die hem dreigberichten hebben gestuurd en bloedwraak op hem willen nemen.

Wat heeft verweerder besloten?

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

Vervolging in Oekraïne;

Bedreiging richting eiser.

Verweerder heeft alle asielmotieven geloofwaardig geacht. De asielaanvraag is afgewezen als ongegrond, omdat verweerder geconcludeerd heeft dat gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM niet aannemelijk is gemaakt door eiser. Redengevend daarvoor is ten eerste dat eiser geen verklaringen heeft afgelegd die raken aan één van de gronden voor vervolging als bedoeld in artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Ook een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM is niet aannemelijk gemaakt volgens verweerder. Niet gebleken is namelijk dat de autoriteiten eiser niet willen of niet kunnen beschermen tegen aanvallen van de familieleden van de overleden medestudenten. De vader van eiser heeft namelijk aangifte gedaan bij de politie, waarbij de politie heeft aangegeven dat eiser zelf een verklaring moet komen afleggen. Op basis van nationale wetgeving zijn de autoriteiten bovendien verplicht het leven van de burgers en de openbare orde in Turkmenistan te beschermen, burgers te beschermen tegen criminele aanvallen en misdadigers op te sporen. Ook is moord strafbaar gesteld met bloedwraak als strafverzwarende omstandigheid. Dat eiser in Oekraïne vervolgd is voor strafbare feiten doet aan het voorgaande niet af, omdat eiser niet hoeft terug te keren naar Oekraïne en niet duidelijk is of hij nog te vrezen heeft voor detentie.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser is het niet eens met de bestreden besluitvorming en voert in beroep ten eerste aan dat verweerder heeft miskend dat hem vanwege zijn vervolging in Oekraïne een gevangenisstraf boven het hoofd hangt. Nu eiser vervolgd is en, zo blijkt uit het vonnis, ook schuldig verklaard is en enige tijd in voorarrest heeft gezeten, is aannemelijk dat hij te vrezen heeft voor ernstige schade. Ook heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat een reëel risico op ernstige schade vanwege de bedreigingen niet aannemelijk is. De autoriteiten in Turkmenistan kunnen en willen geen daadwerkelijke bescherming bieden tegen de dreiging met bloed- en eerwraak. Dit blijkt uit de poging tot aangifte die tot niets geleid heeft en de camerabeelden van familieleden die eiser hebben opgezocht. Gelet op een uitspraak van de hoogste bestuursrechter, waaruit blijkt dat in Turkmenistan een gesloten en repressief regime aan de macht is, die onderdanen niet graag naar het buitenland ziet vertrekken, en die erkent dat een ambtsbericht over Turkmenistan op dit punt ontbreekt, heeft verweerder ondeugdelijk geconcludeerd dat geen sprake is van een risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer.

Ter zitting is namens verweerder op de beroepsgronden gereageerd en is landeninformatie over Turkmenistan naar voren gebracht. De rechtbank heeft het onderzoek om die reden geschorst en eiser de mogelijkheid geboden om op deze nadere onderbouwing van het standpunt van verweerder te reageren.

In het aanvullende standpunt van eiser na de schorsing is – kortgezegd – betoogd dat het pas ter zitting naar voren brengen van deze landeninformatie in strijd is met de goede procesorde. Subsidiair heeft eiser gesteld dat de landeninformatie onderbouwt dat de autoriteiten in Turkmenistan niet in staat zijn om burgers te beschermen, nu er sprake is van wijdverbreide corruptie, met name bij justitie en politie, en dat er een groot verschil bestaat tussen wetten op papier en de praktijk. Burgerrechten worden systematisch geschonden, er is geen sprake van machtenscheiding en machtsmisbruik door de autoriteiten wordt niet bestraft.

In reactie op dit standpunt na de schorsing heeft verweerder gesteld dat niet ontkend wordt dat corruptie uitgebreid aanwezig is in Turkmenistan, maar dat daaruit nog niet volgt dat de politie geen bescherming kan of wil bieden bij problemen met de nabestaanden van de overleden familieleden. Verweerder stelt dat de autoriteiten eiser voldoende kunnen beschermen en vinden een risico op ernstige schade bij terugkeer naar Turkmenistan daarom niet aannemelijk.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Goede procesorde

5. Dat de goede procesorde zich ertegen zou verzetten de landeninformatie waar verweerder ter zitting een beroep op heeft gedaan bij de beoordeling van het beroep te betrekken volgt de rechtbank niet. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting immers geschorst en eiser in de gelegenheid gesteld op deze landeninformatie te reageren, waarna partijen beiden nog een keer op elkaar hebben gereageerd. De rechtbank zal deze stukken daarom in haar beoordeling betrekken.

Bescherming door de autoriteiten

6. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen eerst door verweerder moet worden onderzocht of door de autoriteiten in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden tegen de betreffende bedreiging. Daarbij moet hij informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, betrekken. Als verweerder die vraag bevestigend heeft beantwoord, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien hij dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.

7. Aan het standpunt dat eiser in Turkmenistan bescherming kan krijgen van de autoriteiten, is in het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Moord is in Turkmenistan strafbaar gesteld en volgens het desbetreffende artikel 101 van het Turkmeense Wetboek van Strafrecht geldt een hogere straf als sprake is van moord op basis van bloedwraak. Ter onderbouwing heeft verweerder op de zitting verwezen naar een rapport met landeninformatie van BTI over Turkmenistan. Eiser en verweerder hebben hier in de schriftelijke standpunten na zitting inhoudelijk op gereageerd. Verweerder heeft in zijn reactie vastgehouden aan de conclusie dat niet gebleken is dat de autoriteiten geen bescherming aan eiser kunnen en willen verlenen.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de enkele verwijzing naar Turkmeense wetgeving, o.a. artikel 101 van het Wetboek van Strafrecht van Turkmenistan, en het rapport van BTI, niet conform de op hem rustende bewijslast, zoals die voortvloeit uit de genoemde rechtspraak, onderbouwd dat bescherming door de autoriteiten in Turkmenistan in het algemeen mogelijk is. De omstandigheid dat moord in Turkmenistan in de wet strafbaar is gesteld en dat bloedwraak daarbij strafverzwarend werkt, is onvoldoende om aan te nemen dat door de autoriteiten in Turkmenistan in het algemeen bescherming wordt geboden tegen bedreigingen als die waar eiser mee te maken heeft. Immers, de strafbaarstelling van moord alleen maakt nog niet duidelijk hoe de Turkmeense autoriteiten in de praktijk bescherming bieden en hoe dat op dit moment gaat. Het rapport met landeninformatie van BTI dat verweerder ter zitting heeft overgelegd heelt dat gebrek niet. In dit rapport worden over de situatie in Turkmenistan meerdere thema’s besproken, zoals de “Rule of Law”, maar daarin is geen tekst opgenomen over de mogelijkheid van de bevolking om bescherming te krijgen tegen bloedwraak bij politie en justitie. Met de verwijzing naar het BTI rapport heeft verweerder de tegenwerping dat bescherming door de autoriteiten mogelijk is niet onderbouwd. De stelling van verweerder dat bescherming krijgen aannemelijk is, omdat de vader van eiser aangifte heeft willen doen en dat toen tegen hem gezegd is dat eiser zelf moet komen, maakt dit niet anders, want dit zegt niets over het daadwerkelijke beschermingsniveau dat geboden kan worden door de autoriteiten. Nu een onderbouwing er dus niet is, heeft het bestreden besluit, ook met de aanvullende motivering ter zitting en het schriftelijke standpunt na de schorsing, een motiveringsgebrek.

Conclusies en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en moet daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder het gebrek met de aanvullende motivering na schorsing niet heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het primair aan verweerder is om te beoordelen of eiser bij terugkeer naar Turkmenistan een reëel risico loopt op ernstige schade en, in dat kader, of de autoriteiten in dat land in het algemeen bescherming bieden tegen bedreigingen als die in het geval van eiser. De rechtbank zal verweerder opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser.

10. Er bestaat in dit geval aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2026 vast op € 2.335,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 voor de schriftelijke uiteenzetting na de zitting, met een waarde per punt van € 934,-,wegingsfactor 1). Omdat eiser op toevoeging is bijgestaan, moet dit bedrag betaald worden aan de gemachtigde van eiser.

Beslissing

De rechtbank

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak ziet u hierboven vermeld staan.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?