RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8558
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars),
en
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
1. Eiser is een zogenoemde derdelander uit Oekraïne. Verweerder heeft aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat voor zover eisers beroep is gericht tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024, het niet-ontvankelijk is, omdat verweerder dit besluit heeft ingetrokken. Voor zover het beroep is gericht tegen het terugkeerbesluit van 17 juli 2025 is het ongegrond. De rechtbank volgt de stelling van eiser, dat hij gehoord had moeten worden over zijn persoonlijke situatie voor de oplegging van het vervangende terugkeerbesluit, niet. Hij heeft namelijk na het uitbrengen van het voornemen door verweerder met indienen van de zienswijze al relevante feiten en omstandigheden naar voren kunnen brengen. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder in het terugkeerbesluit de stelling heeft kunnen innemen dat artikel 8 van het EVRM niet in de weg stond aan de oplegging ervan. Ambtshalve heeft de rechtbank geoordeeld dat het beginsel van non-refoulement en het recht op uitoefening van familie- of gezinsleven niet zijn geschonden. Tot slot is verweerder, gelet op artikel 3, eerste lid, van Verordening 2018/1860, verplicht eiser in het SIS te registreren bij de oplegging van een terugkeerbesluit. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit.
In het besluit van 17 juli 2025 heeft verweerder het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken en heeft hij aan eiser een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd.
De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat ging aan de zaak vooraf?
3. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit).
In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat de facultatieve tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. De Afdeling oordeelde ook dat er door verweerder geen toezeggingen zijn gedaan waaruit mocht worden afgeleid dat de facultatieve tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur van de tijdelijke bescherming is bereikt en dat voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel geen plaats is. In het arrest in de zaak Kaduna van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) naar aanleiding van vragen van onder meer de Afdeling overwogen dat lidstaten de verleende facultatieve tijdelijke bescherming mogen intrekken zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB en de algemene beginselen van het Unierecht in acht worden genomen. Lidstaten zijn niet verplicht de duur van de facultatieve tijdelijke bescherming af te stemmen op de duur van de verplichte tijdelijke bescherming. Ook heeft het Hof overwogen dat het lidstaten niet is toegestaan om een terugkeerbesluit uit te vaardigen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. De Afdeling heeft vervolgens in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder bevoegd was de facultatieve tijdelijke bescherming voor de derdelanders uit Oekraïne per 4 maart 2024 te beëindigen. De Afdeling ziet geen aanleiding om te oordelen dat de algemene beginselen van het Unierecht daarbij niet in acht zijn genomen.
In afwachting van het arrest van het Hof en de uitspraken van de Afdeling heeft verweerder besloten de beëindiging van de tijdelijke bescherming te bevriezen. In een brief aan de Tweede Kamer van 3 juni 2025 heeft verweerder aan de Kamer bericht dat de bevriezingsmaatregel eindigt per 4 september 2025.
Wat betrekt de rechtbank bij de beoordeling?
4. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [datum] 1994. Op 3 augustus 2022 heeft hij een asielaanvraag ingediend. In het besluit van 21 augustus 2023 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld. Daarmee staat de buiten behandelingstelling van de asielaanvraag in rechte vast.
Eiser heeft facultatieve tijdelijke bescherming genoten op grond van de RTB. In het besluit van 21 augustus 2023 is besloten de tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 september 2023 en is aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Bij brief van 24 januari 2024 heeft verweerder aan eiser bericht dat het besluit van 21 augustus 2023 is ingetrokken en dat eiser recht heeft op tijdelijke bescherming tot 4 maart 2024. Eiser heeft zijn beroep tegen het besluit van 21 augustus 2023 op 9 februari 2024 ingetrokken.
In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de tijdelijke bescherming voor hem is geëindigd na 4 maart 2024 en is aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft tegen het besluit van 7 februari 2024 het onderhavige beroep ingesteld. Bij besluit van 17 juli 2025 is het eerdere terugkeerbesluit ingetrokken en is aan eiser opnieuw een terugkeerbesluit uitgevaardigd.
Wat is het standpunt van verweerder?
5. In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling overwogen dat de tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Eiser heeft geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures die leiden tot rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Evenmin is eiser in het bezit van een verblijfsvergunning. Dit betekent dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Daarom heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Er is geen sprake van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer het risico loopt op refoulement.
Wat is de omvang van het geschil?
6. Desgevraagd heeft eiser ter zitting verklaard dat het beroep zich niet richt tegen de vraag of verweerder de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 heeft kunnen beëindigen. Er ligt dus enkel de vraag voor of verweerder een terugkeerbesluit heeft kunnen opleggen en of eiser aanspraak kan maken op een proceskostenvergoeding.
Heeft eiser procesbelang bij een beoordeling van zijn beroep gericht tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024?
7. Verweerder heeft het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 terecht ingetrokken, omdat dit besluit gezien het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 te vroeg was genomen. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep voor zover dat is gericht tegen dit terugkeerbesluit. Eiser kan niet meer of anders bereiken dan met het intrekken van dit besluit al is bereikt. Het beroep is in zoverre daarom niet-ontvankelijk.
Heeft verweerder op 17 juli 2025 een nieuw terugkeerbesluit aan eiser kunnen uitvaardigen?
8. In het besluit van 17 juli 2025 staat dat dit besluit het eerdere terugkeerbesluit vervangt. De rechtbank merkt het aan als een besluit tot vervanging als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep dat is ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ziet daarom ook op dit besluit.
Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 4:8 van de Awb en met verschillende Unierechtelijke beginselen. Verweerder heeft eiser ten onrechte niet gehoord over zijn persoonlijke situatie. Verder is de oplegging van het terugkeerbesluit in strijd met artikel 8 van het EVRM. Eiser woont namelijk in Nederland samen met zijn Oekraïense partner, die hier tijdelijke bescherming geniet. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser op 25 september 2025 meerdere WhatsAppberichten en foto’s met zijn partner, het besluit van zijn partner waaruit volgt dat zij langer tijdelijke bescherming geniet, een brief van 17 januari 2025 van de gemeente [plaats] betreffende het leefgeld dat eiser en zijn partner ontvangen van de gemeente en een uittreksel van het BRP van 2022 overgelegd.
Horen van eiser
De rechtbank overweegt als volgt. De stelling van eiser, dat hij gehoord had moeten worden over zijn persoonlijke situatie, volgt de rechtbank niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 juni 2025 een voornemen tot het nemen van een terugkeerbesluit heeft uitgebracht. Vervolgens heeft eiser op dit voornemen gereageerd met een zienswijze. Eiser is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen voordat het vervangende terugkeerbesluit werd genomen, waardoor niet is gebleken van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Artikel 8 EVRM
De rechtbank stelt vast dat eiser pas in de zienswijze voor het eerst een beroep heeft gedaan op artikel 8 van het EVRM. Hij heeft daarbij alleen gesteld dat hij een beroep doet op family life omdat hij samenwoont met zijn Oekraïense partner in Nederland en dat er eind dit jaar een huwelijk zal plaatsvinden. Verweerder heeft in het terugkeerbesluit hierover de stelling ingenomen dat, nu niet is gebleken dat de partner van eiser tijdelijke bescherming in Nederland heeft, hij niet in aanmerking voor tijdelijke bescherming bij zijn partner en hij een terugkeerbesluit krijgt.
De rechtbank wijst er allereerst op dat zij de rechtmatigheid van het opleggen van het terugkeerbesluit ex-tunc toetst. Dat betekent dat feiten en omstandigheden van na het bestreden besluit geen rol spelen in de beoordeling door de rechtbank. Verweerder heeft in het bestreden besluit geen rekening kunnen houden met de door eiser overgelegde WhatsAppberichten en foto’s met zijn partner, het besluit van zijn partner, de brief van de gemeente en het uittreksel van de BRP, omdat eiser die bij de zienswijze nog niet heeft overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit dan ook de stelling kunnen innemen dat artikel 8 van het EVRM niet in de weg stond aan het opleggen van een terugkeerbesluit.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder een nieuw terugkeerbesluit aan eiser heeft kunnen uitvaardigen.
Ararat
9. De rechtbank is bekend met het arrest Ararat en de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. De rechtbank is in overeenstemming met dit arrest en deze uitspraak in het dossier nagegaan of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest of dat er sprake van familie- of gezinsleven waar verweerder bij het uitvaardigen van het terugkeerbesluit rekening had moeten houden. De rechtbank heeft, gelet op de ex-nunc toets die zij in het kader van het arrest Ararat moet verrichten, de door eiser overgelegde stukken hierbij wel betrokken.
Volgens de rechtbank is niet uit het dossier gebleken dat met de terugkeer naar van eiser naar Algerije sprake is van schending van het beginsel van non-refoulement of dat er sprake is van familie- of gezinsleven waar verweerder bij het uitvaardigen van het terugkeerbesluit rekening mee had moeten houden. De rechtbank is van oordeel dat eiser met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM , laat staan dat al sprake was van een relatie in Oekraïne. Eiser heeft een inschrijving in de BRP van 2022 overgelegd waaruit weliswaar blijkt dat eiser en zijn gestelde partner beiden op het adres [adres 1] te [plaats] waren ingeschreven, maar bij eiser met de toevoeging [toevoeging 1] en bij zijn gestelde partner met toevoeging [toevoeging 2] . Ter zitting is gebleken dat zij op dat adres in verschillende naast elkaar gelegen kamers woonden. Eiser stelt op dit moment met zijn gestelde partner samen te wonen op het adres [adres 2] in [plaats] maar heeft hiervan geen inschrijving in de BPR kunnen overleggen. Dat de gemeente [plaats] een brief aan eiser en zijn gestelde partner op hetzelfde adres heeft gestuurd betekent nog niet dat zij daar ook samenwonen. Ook de door eiser overgelegde Whatsappberichten en foto’s zijn onvoldoende om uit op te maken dat sprake is van een relatie tussen eiser en zijn gestelde partner. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard geen andere bewijzen te hebben. Gelet hierop heeft verweerder ook vanwege het familie- en gezinsleven niet van het opleggen van een terugkeerbesluit hoeven af te zien.
SIS -registratie
10. Eiser verzoekt de rechtbank verweerder te gelasten de registratie van zijn gegevens in het SIS ongedaan te maken. Eiser en zijn partner zijn voornemens zich in het buitenland te vestigen, maar daarbij ondervindt eiser problemen in verband met registratie in het SIS.
Ten aanzien van de signalering van eiser in SIS, overweegt de rechtbank dat in artikel 3, eerste lid van de Verordening 2018/1860, dwingend is voorgeschreven dat de lidstaten een vreemdeling tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd te signaleren in het SIS. Verweerder is dus ook in het geval van eiser verplicht om het terugkeerbesluit te registreren en heeft daarbij geen ruimte om te beoordelen of de signalering evenredig is.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 17 juli 2025 is ongegrond.
Omdat verweerder het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken omdat dit besluit te vroeg was genomen, heeft eiser wel terecht beroep ingesteld tegen dit besluit. Eiser krijgt daarom een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt €1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.