ECLI:NL:RBDHA:2026:15490

ECLI:NL:RBDHA:2026:15490

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer NL26.27736
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Vervolgberoep maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Uit het arrest van het Hof in de zaak Aroja van 5 maart 2026 volgt onder meer dat verweerder bij een totale duur van zes maanden inbewaringstelling ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, een verlengingsbesluit moet nemen. Alle afzonderlijke periodes van bewaring die in het kader van datzelfde terugkeerbesluit zijn opgelegd, moeten bij elkaar worden opgeteld. De hier voorliggende maatregel is gebaseerd op het terugkeerbesluit van verweerder van 3 februari 2026. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eventuele periodes van bewaring in Oostenrijk en Duitsland niet relevant, omdat deze niet zijn gebaseerd op dit terugkeerbesluit en dus niet moeten worden opgeteld bij de periode van bewaring op grond van de huidige maatregel. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.27736

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M. Spapens),

en

(gemachtigde: mr. S.S.H. Orssel).

Procesverloop

Verweerder heeft op 3 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Verweerder heeft de rechtbank op 18 mei 2026 laten weten dat de maatregel nog voortduurt. Deze kennisgeving wordt door de rechtbank opgevat als een door eiser ingesteld beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Op 22 mei 2026 heeft de rechtbank bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Op 28 mei 2026 heeft zij partijen geïnformeerd aanleiding te zien om het onderzoek te heropenen en het beroep op zitting te behandelen. De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben mr. E. Schoneveld, als waarnemer voor de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek na behandeling op zitting gesloten.

Overwegingen

Waarover gaat deze uitspraak?

1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 maart 2026 volgt dat het eerdere beroep tegen deze maatregel op 16 februari 2026 op zitting is behandeld en dat de rechtbank het onderzoek na de behandeling op zitting heeft gesloten. Bij bericht van 20 februari 2026 is aan partijen meegedeeld dat het onderzoek wordt heropend en geschorst omdat de rechtbank het noodzakelijk acht prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Deze vragen zijn neergelegd in de (tussen)uitspraak van 3 maart 2026 en gaan, kort samengevat, over de te maken refoulementbeoordeling wanneer niet duidelijk is naar welk land eiser moet/kan worden verwijderd. De rechtbank is momenteel nog in afwachting van een reactie op de gestelde prejudiciële vragen.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Zij legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.

Is het beroep ontvankelijk?

2. Omdat de verwijzingsuitspraak van 3 maart 2026 een tussenuitspraak is, ziet de rechtbank zich in het kader van artikel 96, eerste lid, van de Vw in de eerste plaats voor de vraag gesteld of het beroep ontvankelijk is. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat eiser in zijn vervolgberoep kan worden ontvangen en dat hem effectieve rechtsbescherming moet worden geboden. Daarbij wijst de rechtbank op het arrest van het Hof van 8 november 2022, waar in punt 85 is geoordeeld dat, aangezien de uniewetgever zonder uitzondering vereist dat het toezicht op de naleving van de voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring ‘met redelijke tussenpozen’ plaatsvindt, de bevoegde autoriteiten dat toezicht ambtshalve moeten uitoefenen, ook als de betrokkene daar niet om verzoekt. Dat een periodieke toets van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring mogelijk moet zijn, volgt eveneens uit artikel 15, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

Heeft verweerder de rechtbank tijdig laten weten dat de maatregel voortduurt?

3. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de kennisgeving tijdig aan de rechtbank is toegezonden. Daarbij betrekt zij het volgende. Ter uitvoering van het hiervoor aangehaalde arrest van het Hof van 8 november 2022 stelt verweerder de rechtbank na 75 dagen in kennis van het feit dat er gedurende langere termijn geen rechterlijke beoordeling heeft plaatsgevonden van het voortduren van de maatregel van bewaring. Hiermee wordt toepassing gegeven aan het gestelde in artikel 15, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Op 3 maart 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats de hier voorliggende maatregel voor het laatst beoordeeld. De kennisgeving is op 18 mei 2026 ontvangen en in deze uitspraak wordt het voortduren van de maatregel getoetst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de rechtbank daarmee tijdig in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel en vindt tijdig rechterlijke toetsing plaats van de voortduring.

Welke beoordelingsperiode ligt voor?

4. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel is de periode van belang sinds het sluiten van het onderzoek in het eerdere beroep tegen deze maatregel op 16 februari 2026. Dit is analoog aan standaard-vervolgberoepen waarbij het moment van sluiting van het eerdere onderzoek als uitgangspunt wordt genomen.

Is er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en handelt verweerder voldoende voortvarend?

5. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Ten tijde van het indienen van de gronden van beroep verblijft hij al ruim 3,5 maand in bewaring. Uit de overgelegde voortgangsrapportage blijkt dat verweerder bij meerdere landen heeft gerappelleerd om een laissez-passer (lp) te verkrijgen. Pas op 6 mei 2026 heeft verweerder een onderzoek opgestart bij de Duitse autoriteiten in het kader van een SIS-signalering. Op 11 mei 2026 is dit onderzoek negatief afgerond, omdat de SIS-signalering blijkt te zijn verwijderd waardoor er geen kopie meer kan worden opgevraagd. Verweerder heeft onvoldoende voortvarend gehandeld door dit onderzoek pas op 6 mei 2026 op te starten. Als verweerder het onderzoek eerder had opgestart, had er een kans bestaan dat er aanvullende informatie over de identiteit van eiser naar boven was gekomen. Eiser heeft zelf meerdere pogingen gedaan om in contact te komen met de consul van Marokko en via zijn familie geprobeerd zijn geboorteakte te verkrijgen, maar is daarin niet geslaagd. De maatregel moet dan ook worden opgeheven.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op eiser rust een vertrekplicht, die onder meer inhoudt dat hij actief en volledig meewerkt aan het verkrijgen van de voor zijn vertrek benodigde documenten. Eiser stelt de Marokkaanse en Algerijnse nationaliteit te bezitten en stelt daarnaast ook uit Libië te komen. Verweerder heeft op 9 februari 2026 het lp-traject opgestart bij de autoriteiten van deze drie landen en heeft vervolgens gerappelleerd op 12 maart 2026, 2 april 2026, 23 april 2026 en 15 mei 2026. Door eiser wordt niet betwist dat de lp-aanvragen nog in behandeling zijn bij de betrokken autoriteiten. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat er naar aanleiding van nieuwe informatie van de Dienst Terugkeer & Vertrek op 29 mei 2026 ook een PRUM-onderzoek is opgestart bij de Belgische autoriteiten, waarmee mogelijk biometrische gegevens van de Belgische autoriteiten kunnen worden verkregen. Volgens verweerder loopt dit onderzoek nog. In het vooralsnog uitblijven van een reactie van de betrokken autoriteiten op de lp-aanvragen en het PRUM-onderzoek, ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbreekt of dat verweerder onvoldoende voortvarend aan eisers uitzetting werkt. Eisers stelling dat verweerder het onderzoek naar aanleiding van de SIS-signalering eerder had moeten oppakken, volgt de rechtbank niet. Daarbij wijst de rechtbank op de overige, hiervoor genoemde uitzettingshandelingen die verweerder heeft verricht. Ook eisers stelling dat hij er nog niet in is geslaagd om in contact te komen met de consul van Marokko of om zijn geboorteakte te verkrijgen, maakt dit niet anders. Eiser heeft deze stelling namelijk geenszins onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

Is relevant of sprake is geweest van periodes van bewaring in Oostenrijk of Duitsland op grond van de Terugkeerrichtlijn?

6. Eiser voert aan dat eventuele periodes van bewaring in Oostenrijk of Duitsland op grond van de Terugkeerrichtlijn moeten worden betrokken in de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel. Als alle periodes van bewaring bij elkaar worden opgeteld, verblijft hij momenteel mogelijk langer dan zes maanden in bewaring.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest van het Hof in de zaak Aroja van 5 maart 2026 volgt onder meer dat verweerder bij een totale duur van zes maanden inbewaringstelling ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, een verlengingsbesluit moet nemen. Alle afzonderlijke periodes van bewaring die in het kader van datzelfde terugkeerbesluit zijn opgelegd, moeten bij elkaar worden opgeteld. De hier voorliggende maatregel is gebaseerd op het terugkeerbesluit van verweerder van 3 februari 2026. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eventuele periodes van bewaring in Oostenrijk of Duitsland niet relevant, omdat deze niet zijn gebaseerd op dit terugkeerbesluit en dus niet moeten worden opgeteld bij de periode van bewaring op grond van de huidige maatregel. De beroepsgrond slaagt niet.

Is de voortduring van de maatregel van bewaring om een andere reden onrechtmatig?

7. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest. Er is ook niet gesteld of gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser zich verzet tegen zijn terugkeer.

Wat is de conclusie?

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.L. Roubos

Griffier

  • mr. J.F.P. van Brunschot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand