ECLI:NL:RBDHA:2026:15492

ECLI:NL:RBDHA:2026:15492

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer NL24.19631 en NL23.18962
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak

Samenvatting

Eiser komt uit Turkije. Hij wil een verblijfsvergunning om in Nederland als ondernemer te kunnen werken. Vroeger kon hij naar Nederland komen om dat te regelen. Sinds 1 oktober 2022 geldt echter een nieuwe regeling. Vanaf die datum moeten Turkse staatsburgers eerst een ‘machtiging voor voorlopig verblijf’ (mvv) in Turkije aanvragen. Pas als ze die hebben gehad, kunnen ze naar Nederland komen en hier een verblijfsvergunning krijgen. Deze rechtbank en zittingsplaats is al eerder akkoord gegaan met de nieuwe regeling. Inmiddels heeft ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dit bevestigd. Eiser vindt toch dat deze nieuwe regeling in strijd is met de verdragen die Turkije en de Europese Unie hebben gesloten. Ook is die regeling volgens eiser in strijd met het discriminatieverbod. Eiser is daarom zonder mvv naar Nederland gekomen, is aan het werk gegaan en heeft een verblijfsvergunning aangevraagd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Eiser is het er niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Daarbij heeft eiser een aantal argumenten aangevoerd waarom de afwijzing onterecht zou zijn. Verder heeft de rechtbank in deze procedure vragen gesteld over de gevolgen voor de inschrijving van eisers onderneming in de KvK als hij naar Turkije zou vertrekken. Deze antwoorden en hetgeen eiser daarover heeft aangevoerd leiden echter, net als de overige argumenten, niet tot een gegrond beroep.. Dus heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning kunnen afwijzen. Hij moet terug naar Turkije.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser/verzoeker, hierna: eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL24.19631 (beroep) en NL23.35267 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),

en

(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).

1. Eiser komt uit Turkije. Hij wil een verblijfsvergunning om in Nederland als ondernemer te kunnen werken. Vroeger kon hij naar Nederland komen om dat te regelen. Sinds 1 oktober 2022 geldt echter een nieuwe regeling. Vanaf die datum moeten Turkse staatsburgers eerst een ‘machtiging voor voorlopig verblijf’ (mvv) in Turkije aanvragen. Pas als ze die hebben gehad, kunnen ze naar Nederland komen en hier een verblijfsvergunning krijgen.

Deze rechtbank en zittingsplaats is al eerder akkoord gegaan met de nieuwe regeling. Inmiddels heeft ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dit bevestigd.

Eiser vindt toch dat deze nieuwe regeling in strijd is met de verdragen die Turkije en de Europese Unie hebben gesloten. Ook is die regeling volgens eiser in strijd met het discriminatieverbod. Eiser is daarom zonder mvv naar Nederland gekomen, is aan het werk gegaan en heeft een verblijfsvergunning aangevraagd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Eiser is het er niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Daarbij heeft eiser een aantal argumenten aangevoerd waarom de afwijzing onterecht zou zijn. Die argumenten leiden echter niet tot een andere conclusie. Dus heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning kunnen afwijzen. Hij moet terug naar Turkije.

Procesverloop

2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing

van zijn aanvraag van 18 april 2023 voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening.

Verweerder heeft deze aanvraag in het primaire besluit van 31 juli 2023 afgewezen. In het bestreden besluit van 12 april 2024, naar aanleiding van het bezwaar van eiser, is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Aydin, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verder hebben de tolken [tolk 1] , [tolk 2] , [tolk 3] en de gemachtigde van verweerder aan de zitting deelgenomen.

Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om verweerder op een aantal vragen schriftelijk te laten reageren. Verweerder heeft vervolgens op 22 april 2026 de vragen van de rechtbank beantwoord. Eiser heeft op 12 mei 2026 daarop gereageerd. Omdat partijen hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een nadere zitting, heeft de rechtbank vervolgens op 13 mei 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

3. Eiser is geboren op [datum] 1989 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft een aanvraag ingediend voor het verrichten van arbeid als zelfstandige bij [bedrijf] . Verweerder heeft eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning met het primaire besluit afgewezen omdat hij geen geldige mvv heeft. Eiser voldoet volgens verweerder niet aan de voorwaarden uit paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en daarom is zijn uitzetting niet in strijd met het tussen Turkije en de Europese Unie bestaande associatierecht.

Het bestreden besluit

4. Verweerder heeft het bezwaar van eiser in het bestreden besluit ongegrond

verklaard. Verweerder vindt dat de aanvraag mag worden afgewezen omdat eiser geen mvv heeft. Het op 1 oktober 2022 ingevoerde mvv-vereiste voor Turkse staatsburgers is een aanscherping in de zin van de standstillbepaling in artikel 41 van het Aanvullend Protocol. Die aanscherping is volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) toegestaan als deze kan worden gerechtvaardigd. Dat is volgens verweerder het geval omdat de aanscherping een rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelen te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om de doelen te verwezenlijken.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Verweerder heeft de aanvraag dus kunnen afwijzen omdat eiser geen geldige mvv heeft. De rechtbank zal hierna, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Is er een voldoende wettelijke basis voor het toepassen van het mvv-vereiste voor Turkse onderdanen?

6. De rechtbank is van oordeel dat er een wettelijke basis bestaat voor het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond bij aanvragen van Turkse onderdanen. De bevoegdheid tot afwijzing van de aanvraag volgt niet enkel uit het beleid. Het heeft zijn grondslag in artikel 16 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank verwijst ook naar de uitspraken van de Afdeling van 1 en 9 juli 2025 waarin dit is bevestigd. De beroepsgrond slaagt niet.

Wordt de invoering van het mvv-vereiste verboden door de standstillbepaling?

7. Eisers beroepsgrond dat het invoeren van het mvv-vereiste in strijd is met de standstillbepaling slaagt niet. De rechtbank verwijst hierbij naar de genoemde uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juli 2024 en de uitspraken van de Afdeling van 1 en 9 juli 2025 waarbij het oordeel van deze zittingsplaats is bevestigd. De invoering van het mvv-vereiste wordt niet verboden door de standstillbepaling. Het invoeren van het mvv-vereiste is weliswaar een aanscherping in de zin van de standstillbepaling, maar deze kan worden gerechtvaardigd en is daarom toegestaan. Het invoeren van het mvv-vereiste vindt een rechtvaardiging in dwingende redenen van algemeen belang en is geschikt, noodzakelijk en evenredig.

De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juli 2024 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, reeds omdat dit geen vergelijkbare zaak is. In die uitspraak lag voor of de vreemdeling aan het documentatievereiste had voldaan. Dat is in deze zaak anders.

Wat eiser heeft aangevoerd in aanvulling op de standpunten in de beroepsprocedures die hebben geleid tot de uitspraken van 25 juli 2024, doet niet af aan het voorgaande. In aanvulling op die uitspraken overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals eiser terecht stelt, is op dit moment niet gebleken dat van het invoeren van het mvv-vereiste de onder 8.1 van die uitspraken bedoelde prikkel is uitgegaan. Deze stelling brengt de rechtbank echter niet tot een ander oordeel. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, onder 9.3 en 9.4.

Eiser heeft ook gesteld dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of andere maatregelen het beoogde doel zouden kunnen bewerkstellingen zoals een inhoudelijke behandeling van (herhaalde) aanvragen aan het loket, een betere beoordeling bij aanvragen van een Schengenvisum of door een actiever optreden van de Arbeidsinspectie. Ook dit brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, onder 9.3 en 9.3.1 en de uitspraak van 9 juli 2025, onder 7.1.

Eiser heeft ten slotte gesteld dat het nog steeds niet mogelijk is om een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige vanuit Turkije te verkrijgen. Ook dit argument gaat niet op. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 1 juli 2025, onder 9.2 tot en met 9.2.2 en van 9 juli 2025, onder 7.3 en 7.4.

De beroepsgrond slaagt niet.

Zijn er bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiser moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste of de hardheidsclausule moet worden toegepast?

8. Eiser heeft een beroep gedaan op de uitspraak van 7 november 2024 van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam. Daarin is geoordeeld over een passage van het beleid in B1/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) over de vraag wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die tot vrijstelling van het mvv-vereiste moeten leiden. Deze passage luidde toen als volgt: :

“Van belemmeringen van het uitoefenen van voornoemde vrijheden in Nederland is in ieder geval geen sprake als de bijzondere, individuele omstandigheden zien op de:

- politieke, economische of sociale situatie in Turkije;

- persoonlijke omstandigheden in Turkije; of

- (voortzetting van) illegale arbeid in Nederland.”

Volgens de uitspraak van 7 november 2024 ging dit beleid het wettelijk kader van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb te buiten.

Eiser heeft in de besluitvormingsfase geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht. Verweerder heeft daarom niet getoetst aan de geciteerde passage van het beleid. Dat betekent dat de vraag of dit beleid juridisch juist was, niet van belang is voor het oordeel van de rechtbank in deze zaak. Het betekent ook dat de wijziging van het beleid, die volgens eiser naar aanleiding van de uitspraak van 7 november 2024 heeft plaatsgevonden, niet van belang is.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat bij een vertrek naar Turkije zijn onderneming uit de Kamer van Koophandel (KvK) wordt uitgeschreven. Ter onderbouwing heeft hij twee besluiten van andere vreemdelingen overgelegd en een stuk van de KvK getiteld ‘Deregistratie’. Op zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit geen aanleiding geeft om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. De besluiten waar eiser naar heeft verwezen zien op aanvragen die dateren van voor de herinvoering van het mvv-vereiste en zijn daarom al niet vergelijkbaar.

Wat betreft het stuk van de KvK getiteld ‘Deregistratie’, heeft verweerder na de zitting in antwoord op vragen van de rechtbank toegelicht dat de KvK altijd eerst een voornemen om een onderneming uit te schrijven kenbaar maakt bij de ondernemer. De ondernemer kan vervolgens zijn zienswijze geven. Tegen een eventuele uitschrijving staan rechtsmiddelen open. Bovendien heeft de KvK aan verweerder in een overleg naar aanleiding van de vragen van de rechtbank over dit stuk laten weten dat een verklaring van een ondernemer dat hij in het buitenland verblijft in afwachting van een mvv-procedure géén reden is voor de KvK om over te gaan tot uitschrijving van de onderneming uit het handelsregister. Eiser heeft in reactie daarop naar voren gebracht dat de mededeling van verweerder niet te vertrouwen is. Hij heeft verwezen naar een chatgesprek van zijn advocaat met eerst een chatbot en vervolgens een medewerker van de KvK, waarin zijn advocaat zich heeft voorgedaan als (onder meer) een ondernemer die in Turkije een mvv wil aanvragen. In dat chatgesprek heeft een medewerker van de KvK gesteld dat een onderneming wordt uitgeschreven als die langere tijd niet actief is (oplopend tot een aantal maanden). Een mvv-procedure kan volgens eiser wel tot een jaar duren, en als een bezwaarprocedure volgt, oplopen tot twee of drie jaar. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van een medewerker van de KvK in het chatgesprek onvoldoende om niet uit te kunnen gaan van de algemene toezegging van de KvK aan verweerder in het bestuurlijk overleg naar aanleiding van de vragen van de rechtbank. Daarin is expliciet toegezegd dat een verblijf in het buitenland in afwachting van een mvv-procedure geen reden is voor uitschrijving van een onderneming uit het handelsregister. Van die toezegging mag worden uitgegaan. Omdat de onderneming van eiser niet zal worden uitgeschreven uit de KvK zolang hij bij terugkeer naar Turkije in afwachting is van een beslissing op een mvv-aanvraag, heeft verweerder daarin geen aanleiding hoeven zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste.

Eiser heeft zich verder in beroep op het standpunt gesteld dat met de herinvoering van het mvv-vereiste het onmogelijk is gemaakt om zowel vanuit Nederland als vanuit Turkije een aanvraag in te dienen voor het kunnen werken als zelfstandige in Nederland. Dat is onevenredig. Volgens eiser heeft verweerder toegezegd dat hij met de KvK in gesprek zou gaan en zou onderzoeken of een Turkse staatsburger vanuit Turkije een onderneming kan starten. Ook heeft verweerder volgens eiser toegezegd dat hij in de tussentijd zijn beleid zou aanpassen in die zin dat Turkse staatsburgers een onderneming kunnen starten zonder te voldoen aan het overleggen van de documenten als bedoeld in Bijlage 8aa. Verweerder is zijn toezeggingen niet nagekomen. De Afdeling heeft daar in haar uitspraken van 1 en 9 juli 2025 geen aandacht aan besteed. Ook heeft de Afdeling volgens eiser een onjuiste veronderstelling gedaan op grond van het uittreksel van de KvK dat bij de Afdeling was overgelegd. Op dat uittreksel stond namelijk vermeld dat de betreffende onderneming in Nederland is gevestigd terwijl op datzelfde uittreksel als woonadres een Turks adres is vermeld. De Afdeling heeft daaruit afgeleid dat het mogelijk is om vanuit Turkije een onderneming in Nederland te starten. Maar dat is een onjuiste veronderstelling, omdat volgens eiser de Turkse staatsburger feitelijk in Nederland moet zijn om een onderneming te kunnen oprichten. Eiser stelt verder dat zijn vertrek naar Turkije voor het indienen van een mvv-aanvraag tot gevolg zal hebben dat hij zijn onderneming in Nederland zal moeten beëindigen. Daarmee zal hij nooit kunnen voldoen aan de voorwaarden om aan te tonen dat zijn onderneming een positieve bijdrage zal leveren aan de Nederlandse economie en dat zijn onderneming levensvatbaar is. Eiser vindt het verder onzorgvuldig dat de zaken in hoger beroep door de Afdeling zijn afgedaan zonder een behandeling op zitting.

In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling in haar uitspraken van 1 en 9 juli 2025 heeft gegeven. De Afdeling heeft overwogen dat verweerder mag verlangen dat een vreemdeling de in bijlage 8aa, behorend bij artikel 3.20a, vierde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, en paragraaf B6/4.5 van de Vc genoemde stukken overlegt, voor zover die vreemdeling daarover redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Als een vreemdeling een steekhoudende verklaring heeft gegeven waarom hij over een bepaald stuk of bepaalde stukken niet de beschikking kan krijgen en verweerder de aanvraag desondanks niet voorlegt voor advies aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO), zal verweerder dit moeten motiveren. In antwoord op vragen van de rechtbank heeft verweerder nader geconcretiseerd dat een verklaring kan zijn dat het een vanuit het buitenland opgestarte onderneming betreft. Aan de hand van die verklaring zal verweerder vervolgens beoordelen of de vreemdeling redelijkerwijs de beschikking had kunnen krijgen over de vereiste stukken. Gegevens en bescheiden waartoe de vreemdeling geen toegang kan krijgen, hoeven dus niet te worden verstrekt. Maar ook als nog geen sprake is van een bestaande onderneming of als de vreemdeling zijn ondernemingsactiviteiten in Nederland heeft gestaakt als gevolg van zijn vertrek naar Turkije voor het aanvragen van een mvv, kan van de vreemdeling worden verwacht dat hij een onderbouwd ondernemingsplan inbrengt. Verweerder erkent dat de vreemdeling dan mogelijk geen stukken kan overleggen van een bestaande of actieve onderneming, maar hij kan zijn ondernemingsplan wel onderbouwen met andere stukken, zoals intentieverklaringen van toekomstige opdrachtgevers en stukken ter staving van de competenties van de ondernemer.

De stelling van eiser dat verweerder een mvv-aanvraag zal afwijzen als geen KvK-uittreksel is overgelegd, kan niet leiden tot het oordeel dat het stellen van het mvv-vereiste in zijn situatie onevenredig is. Eiser heeft zijn onderneming immers ingeschreven in de KvK. En uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de onderneming in de KvK ingeschreven kan blijven totdat op zijn mvv-aanvraag zal zijn beslist. Eiser kan daarom in beginsel bij zijn mvv-aanvraag een KvK-uittreksel overleggen. Daarbij komt dat (her)inschrijving van een onderneming bij de KvK mogelijk is met een vestigingsadres van die onderneming in Nederland en een woonadres van de ondernemer in Turkije. De Afdeling heeft overwogen dat hieruit blijkt dat het wel mogelijk is om een bedrijf te starten als een vreemdeling in Turkije de woonplaats heeft. De rechtbank ziet geen reden hiervan af te wijken. Dat dit betekent dat de ondernemer dan naar Nederland moet komen voor de inschrijving bij de KvK of daarvoor iemand in Nederland moet machtigen, maakt dit niet anders. Eiser heeft dus niet concreet onderbouwd dat het starten van een onderneming vanuit Turkije onmogelijk is. Bovendien heeft verweerder in antwoord op de vragen van de rechtbank bevestigd dat een aanvraag van een mvv-plichtige vreemdeling die een eenmanszaak of vennootschap onder firma in Nederland wil oprichten, die alle overige vereiste documenten heeft overgelegd én steekhoudend verklaart waarom een KvK-uittrekstel ontbreekt, aan de RvO voor advies zal worden voorgelegd. Eiser heeft zijn stelling dat de RvO een negatief advies zal geven alleen al omdat de onderneming niet is ingeschreven in de KvK niet aannemelijk gemaakt. De RvO geeft immers op basis van het overgelegde ondernemingsplan een inhoudelijk advies over de vraag of de (voorgenomen) onderneming een positieve bijdrage zal leveren aan de Nederlandse economie en of de onderneming levensvatbaar is. Zoals hiervoor is overwogen, kan een ondernemingsplan ook met andere stukken worden onderbouwd als de vreemdeling redelijkerwijs geen stukken kan overleggen van een op dat moment in Nederland actieve onderneming.

Dat eiser het onzorgvuldig vindt dat de Afdeling de zaken in hoger beroep zonder zitting heeft afgedaan, geeft de rechtbank geen reden om haar uitspraken van 1 en 9 juli 2025 niet te volgen.

Eiser heeft verder op zitting aangevoerd dat hij al vier jaar in Nederland verblijft, dat hij een betrouwbaar bedrijf heeft en zijn bedrijf failliet gaat als hij terug moet naar Turkije. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Verweerder heeft met deze omstandigheden in het bestreden besluit geen rekening kunnen houden omdat die nog niet waren aangevoerd of zich nog niet hadden voorgedaan. De aangevoerde omstandigheden kunnen daarom niet afdoen aan het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. Verder vormen de omstandigheden geen reden voor toepassing van de vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd dat hij voldoet aan de materiële voorwaarden voor het verlenen van de verblijfsvergunning. Dat betekent dat hij niet voldoet aan het beleid van verweerder op dit punt terwijl naar vaste rechtspraak dat beleid niet onevenredig is.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een onbillijkheid van onevenredige aard.

Is de herinvoering van het mvv-vereiste in strijd met het discriminatieverbod?

9. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 1 en 9 juli 2025 slaagt eisers stelling dat het mvv-vereiste in strijd is met het discriminatieverbod evenmin. Dat geldt voor het beroep van eiser op zowel artikel 9 van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije, artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, als andere bepalingen met een vergelijkbare strekking en het algemene rechtsbeginsel van non-discriminatie.

De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 15 juli 2024 waar eiser in deze zaak ook naar heeft verwezen, doet hier niet aan af. Dit betreft geen vergelijkbare zaak. In die zaak ging het om de vraag of het onderscheid maken naar nationaliteit in het kader van het inburgeringsvereiste in strijd is met het discriminatieverbod. Dat is in deze zaak niet aan de orde. Eiser heeft niet nader onderbouwd waarom die uitspraak in deze situatie tot een ander oordeel moet leiden.

Heeft verweerder de hoorplicht geschonden?

10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank verwijst naar de eerder genoemde uitspraken van 25 juli 2024, onder 12 en de Afdelingsuitspraak van 1 juli 2025, onder 12. Eiser heeft in bezwaar geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen omdat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser ook het griffierecht niet terug.

12. Nu de rechtbank beslist op het beroep en dit ongegrond verklaart, is er geen reden

meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst

daarom het verzoek daartoe af.

13. Voor een proceskostenvergoeding bestaat in beide zaken geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Ankum, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand