RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaak- / rolnummer: 09/685460 HA ZA 25-434
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiseres], te [woonplaats],
eiseres,
advocaat: mr. R. Brekhoff,
tegen
DE POLITIE, te Den Haag,
gedaagde,
advocaat: mr. A.T. Bolt.
Partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘de Politie’ genoemd.
1. Samenvatting
Op 10 november 2024 is [eiseres] aangehouden op verdenking van deelname aan een verboden demonstratie op de Dam in Amsterdam. [eiseres] vordert een verklaring voor recht dat deze aanhouding onrechtmatig was, omdat zij daar enkel als journaliste aanwezig was en niet heeft deelgenomen aan deze demonstratie. Daarnaast vordert [eiseres] dat een door de Politie gedane schriftelijke reactie over dit incident wordt gerectificeerd.
De Politie betwist dat [eiseres] als journaliste ter plaatse was en voert aan dat zij niet te onderscheiden was van de aanwezige demonstranten, omdat zij tussen de demonstranten stond en ook leuzen scandeerde. Daarom is zij terecht aangehouden. [eiseres] droeg volgens de Politie geen zichtbare perskaart en maakte pas kenbaar dat zij over een perskaart beschikte nadat zij was aangehouden.
De rechtbank is van oordeel dat de Politie de stelling van [eiseres] dat zij enkel als journaliste bij de verboden demonstratie aanwezig was, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De door de Politie ingebrachte processen-verbaal zijn op meerdere relevante punten niet te verenigen met de door [eiseres] ingebrachte (objectieve) stukken. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de Politie [eiseres] onrechtmatig heeft aangehouden. De gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen en de Politie moet haar schriftelijke reactie over het incident rectificeren.
2. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 2 mei 2025;
de akte overleggen producties van [eiseres] met producties 1 tot en met 14;
het formulier van [eiseres] waarmee een USB-stick op de griffie is gedeponeerd;
de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3;
de akte houdende eisvermindering;
de akte overleggen producties van [eiseres] met producties 15 en 16; en
de spreekaantekeningen zoals deze door partijen zijn voorgedragen en overgelegd tijdens de mondelinge behandeling van 2 april 2026.
Op 2 april 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
3. De feiten
Op grond van de stukken en wat er op de zitting is besproken wordt in deze zaak van het volgende uitgegaan.
[eiseres] is als journaliste lid van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) en beschikt over een door de NVJ uitgegeven ‘Nationale Perskaart’.
Op 8 november 2024 vaardigde de burgemeester van Amsterdam een noodverordening uit naar aanleiding van de ongeregeldheden na de voetbalwedstrijd tussen Ajax en Maccabi Tel Aviv. Op basis van deze noodverordening gold een demonstratieverbod.
Op 10 november 2024 vond rond 14:00 uur een vooraf aangekondigde (verboden) demonstratie plaats op de Dam in Amsterdam. Kort voor 14:00 uur arriveerde [eiseres] bij de demonstratie op de Dam.
[eiseres] maakte met haar telefoon verschillende video-opnames van de demonstratie. Deze opnames dateren van 14:12:42, 14:14:27, 14:15:10, 14:15:59 en 14:16:43 uur.
Op de opname van 14:16:43 uur is – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende te zien en te horen:
Er wordt een vrouw in beeld gebracht die een vlag aan het opbergen is, omringd door drie politieagenten.
Politieagent 1: “Een beetje afstand houden.”
Het beeld draait een kwartslag en politieagent 1 wordt van dichtbij in beeld gebracht.
Politieagent 1: “wilt u een beetje afstand houden?”
[eiseres]: “Sorry hoor, maar..”
Politieagent 1: “Een beetje afstand houden.”
[eiseres]: “Nee, ik ga dit filmen.”
Politieagent 1: “Een beetje afstand houden.”
Het beeld draait weer terug in de richting van de vrouw die een vlag aan het opbergen is. Vervolgens krijgt het beeld een schok.
[eiseres]: “Godverdomme, zijn jullie nou helemaal gek geworden?”
Omstander 1: “Mevrouw, gaat het?”
Omstander 2: “Jullie vallen nu omstanders aan in plaats van degenen die jullie willen aanpakken”
[eiseres]: “Sorry hoor, maar dit ga ik echt absoluut rapporteren.”
[eiseres]: “Tsjongejongejonge”
Politieagent 1 komt naast [eiseres] staan.
Politieagent 1: “Kom, mag u daar gaan staan.”
[eiseres] wordt door politieagent 1 en politieagent 2 beetgepakt en naar een arrestantenbus geleid.
[eiseres]: “Mediakaart, jongens, ik ben van de media, willen jullie mijn perskaart zien? (…) Ik kan jullie mijn perskaart laten zien.”
Politieagent 1 of 2: “Het is de bedoeling dat je die zichtbaar draagt.”
[eiseres]: “Dat hoeft niet. Ik kan mijn perskaart laten zien. Ik ben van de media, ik heb hier een perskaart.”
Politieagent 1 of 2: “Nee hoor, te laat.”
Vervolgens is op de beelden te zien dat [eiseres] wordt meegenomen naar een politiebusje en wordt geboeid. De opname duurt 2 minuten en 12 seconden en eindigt om 14:18:55 uur.
Een omstander filmde eveneens de aanhouding van [eiseres]. Deze video-opname is op 10 november 2024 om 14:21 uur geplaatst op sociaal-medium ‘X’.
[eiseres] is na haar aanhouding vervoerd naar het [cellencomplex]. Vervolgens is zij voorgeleid aan de hulpofficier van justitie.
[eiseres] is op 10 november 2024 kort vóór 24:00 uur vrijgelaten.
Op 13 november 2024 verscheen op de website van NRC Handelsblad een artikel met de kop ‘Journaliste zondag aangehouden bij protest in Amsterdam – ondanks NVJ-perskaart’. In het artikel is een hyperlink opgenomen naar een Instagrampagina waarop een video van de aanhouding van [eiseres] te zien is. Onderaan het artikel is de volgende tekst te lezen:
“ Reactie politie
In een schriftelijke reactie op het incident met de journaliste schrijft de politie dat er zondag „op de Dam bij de groepsaanhoudingen van personen die deelnamen aan een verboden demonstratie ook – zo bleek achteraf – een journaliste aangehouden” is. Volgens de politie nam zij deel aan de demonstratie en scandeerde ze leuzen. Ook had ze „geen Politieperskaart of een andere perskaart (van de NVJ) bij zich waaruit direct kon worden vastgesteld dat zij journaliste was. Pas aan het bureau kwam die perskaart tevoorschijn.” Op vervolgvragen van NRC waarom niet naar haar kaart gekeken werd tijdens de aanhouding zegt een woordvoerder dat het „blijkbaar niet duidelijk genoeg was voor de collega’s”. „Gezien de omstandigheden snap ik dat de collega’s dan doorpakken.” De journaliste zelf zegt geen leuzen gescandeerd te hebben.
Op de vraag waarom zij negen uur lang vastzat, zegt de woordvoerder dat haar identiteit vastgesteld moest worden en er onderzoek gedaan moest worden. „Gezien de drukte op zo’n dag en de hoeveelheid arrestanten kan dat lang duren.”
De twee politieagenten die betrokken waren bij de aanhouding van [eiseres] hebben daarover een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. In dit proces-verbaal van bevindingen (PL1300-2024269461-5), opgemaakt op 14 november 2024, staat het volgende:
“(…)
Op een gegeven moment rond 14.15 uur, zagen wij dat een groep van ongeveer 30 personen borden omhooghielden met teksten als “Free Palestine” enzovoorts. Tevens hadden een aantal personen Palestijnse vlaggen bij zich. Deze groep werd vervolgens voor een deel ingesloten door de aanwezige leden van de Mobiele eenheid. Op dat moment sloten zich om deze groep en deze leden van de Mobiele Eenheid een nog grotere groep demonstranten aan. Ook deze droegen vlaggen, bordjes en andere uitingen waarmee ze zich voordeden als sympathisant van de Palestijnen. De groep groeide al snel uit tot zeker 100 a 150 personen. Al deze mensen riepen leuzen als: Free, free Palestine. From the river to the sea, Palestine will be free, Schande, schande bloed aan je handen, Schaam je kapot in de richting van ons en de overige leden van de Mobiele Eenheid. Tevens hadden mensen trommels bij zich. De groep werd op dat moment steeds groter. Vervolgens werd het commando gegeven om de personen die zich in de binnenste cirkel bevonden werden aangehouden. Dit werd middels een megafoon door een ter plaatse zijnde commandant van de Mobiele Eenheid meermaals en luid en duidelijk omgeroepen. De betreffende verdachte bevond zich bij deze groep.
We hielpen op dat moment in opdracht van onze commandant de overige leden van de Mobiele Eenheid mee om deze groep in te sluiten. Het plan was om deze groep naar achteren te drijven, in de richting van het Koninklijk Paleis, alwaar bussen van het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf klaarstonden om deze arrestanten over te brengen.
Ik, (…), bevond mij samen met mijn collega (…) en de overige leden van mijn groep rondom de demonstranten bij deze verboden demonstratie. Vanuit de groep werden onophoudelijk bovengenoemde leuzen geschreeuwd. Voor ons stond op dat moment de verdachte in de inmiddels aangehouden groep demonstranten. Wij hoorden en zagen dat ook deze verdachte luidkeels deze leuzen aan het meeschreeuwen was. Deze verdachte stond op ongeveer 2,5 meter bij mij vandaan en ik zag dat zij oogcontact met mij, (…) maakte en in mijn richting keek. Ik hoorde deze verdachte naar mij schreeuwen: Stoere jongens zijn jullie, onschuldige mensen slaan, schaam je kapot!. Ik zag dat deze vrouw steeds dichter mijn richting op kwam en uiteindelijk vlak voor mij begon te schreeuwen. Omdat deze verdachte was aangehouden, heb ik tegen haar gezegd dat ze normaal moest doen en afstand moest houden, omdat zij mij inmiddels tot op 50 centimeter was genaderd heb ik haar een duw gegeven in de richting van de aangehouden groep waar zij tussen stond. Ik zag dat deze vrouw wederom op mij af kwam en naar mij schreeuwde: Schaam je kapot! Ik zag dat de verdachte opnieuw ongeveer 50 centimeter van mij afstond en mij aankeek, waarop ik de verdachte wederom een duw gaf in de richting van de groep waar zij deel van uitmaakte. Vervolgens kwam zij voor de derde keer terug naar mij en dat was het moment dat ik haar samen met mijn collega (…) beet heb gepakt en wij trokken haar uit de groep, teneinde haar alvast over te brengen naar de voorzijde van het Paleis omdat zij één van de hardste schreeuwers in de groep was. Op het moment dat wij haar uit de groep trokken hoorden wij dat een groot aantal mensen begon te schreeuwen: Schande, Schande, bloed aan je handen en Schaam je kapot.” Wij trokken de verdachte aan haar armen naar achteren en kwamen daar mensen van de pers tegen, die hadden plaatsgenomen aan de buitenzijde van de groep demonstranten.
Vervolgens droegen wij de verdachte over aan collega’s van arrestantenzorg. De verdachte heeft later een proces-verbaal gekregen van mij, verbalisant (…). Hierna zijn wij weer terug gegaan naar de verboden demonstratie. Ik, (…) werd later door een Hulp Officier van Justitie gebeld met de vraag wat er was gebeurd. Ik, (…) vertelde wat er was gebeurd zoals hierboven omschreven. Wij hoorden dat de verdachte mogelijk van de pers zou zijn geweest. Dit hebben wij niet kunnen zien en is ook niet aan ons kenbaar gemaakt. Deze verdachte maakte deel uit van de groep demonstranten, had geen zichtbare perskaart om en maakte zich niet bekend als pers aan ons toen zij deel uitmaakte van de groep demonstranten. De mensen van de pers stonden achter de leden van de Mobiele Eenheid, degenen die er doorheen liepen hadden zichtpaar een paarse of groene perskaart omgehangen of droegen een camera of microfoon. Bij deze verdachte was dit absoluut niet het geval, althans niet zichtbaar. (…)”
Ook de politieagent die betrokken was bij de voorgeleiding van [eiseres] heeft daarover een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. In dit proces-verbaal van bevindingen (PL1300-2024269461-6), opgemaakt op 15 november 2024, staat het volgende:
“Tussen de legitimatiebewijzen, zat een perskaart van de verdachte [eiseres]. Gezien de persvrijheid en regels voor de pers heb ik direct een collega HOVJ contact op laten nemen met de aanhoudende verbalisanten. (…) De collega HOVJ (…) werd medegedeeld dat de arrestant, [eiseres] geen perskaart zichtbaar bij zich droeg. Op de vraag of zij een perskaart bij zich had, werd geen perskaart getoond aan de aanhoudende verbalisanten. Ook heeft zij zich niet kenbaar gemaakt als pers, (…)”
Bij de demonstratie van 10 november 2024 waren zogenaamde legal observers van Stichting PILP aanwezig, die van de gebeurtenissen notities hebben bijgehouden. In een brief van Stichting PILP van 28 april 2025 staat het volgende:
“(…)
Rondom 13.50 uur hebben de legal observers zich voorgesteld aan de politieagenten aanwezig op de Dam. (…)
De legal observers hebben gedurende de hele middag tot in de vroege avond in die drie groepjes van twee personen waargenomen. Wij hebben van de gebeurtenissen gedetailleerde notities bijgehouden. Hieruit blijkt onder meer het volgende.
Om 14.22 uur werd tegen mensen die meejoelden met de demonstratie gezegd dat zij ofwel per direct eruit moesten stappen, of anders zouden worden opgepakt. Dit was volgens onze waarnemingen de eerste waarschuwing. Op hetzelfde tijdstip werd waargenomen dat pers zich niet mocht verplaatsen of in de buurt van de demonstratie mocht komen, waarbij sprake was van een dreiging tot arrestatie van journalisten.
Omstreeks 14.23 uur werden protestborden actief afgepakt en werd ook een megafoon in beslag genomen.
Om 14.24 uur gaf de politie een formele vordering tot verwijdering. Dit was de eerste keer dat wij formeel een oproep tot verwijdering hebben waargenomen.
Enkele minuten later, rond 14.27 uur, werd er opnieuw door de politie opgeroepen tot verwijdering. Men werd opgeroepen zich te verplaatsen richting het Centraal Station. Volgens onze waarnemingen was dit inmiddels de derde keer dat een vordering werd uitgesproken. Kort daarop vonden er arrestaties plaats. Hierbij werd ook gebruik gemaakt van wapenstokken.
(…)”
De aanhouding van [eiseres] is niet opgevolgd met een strafvervolging.
4. Het geschil
[eiseres] vordert – na vermindering en vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de aanhouding en het gedurende negen uren vasthouden voor verhoor van [eiseres] door de Politie onrechtmatig is;
II. de Politie veroordeelt om binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis het volgende bericht te publiceren op de nieuwspagina van de website van de Politie (https://politie.nl/nieuws), dit bericht onder de aandacht te brengen van NRC Handelsblad door dit per e-mail aan de redactie toe te sturen en dit bericht op alle sociale media-kanalen van de Politie te plaatsen:
“ Aanhouding journaliste onrechtmatig
Bij vonnis van [datum vonnis] heeft de Rechtbank Den Haag geoordeeld dat de aanhouding van een journaliste bij een demonstratie op 10 november 2024 onrechtmatig is.
Ten onrechte meldde de politie na de aanhouding in verschillende media (waaronder NRC Handelsblad) dat de reden voor de aanhouding was dat de journaliste aan de demonstratie deelnam. Daarvan is niets gebleken. Zij maakte zich in tegenstelling tot wat de politie meldde, kenbaar als journaliste en bood aan de perskaart die zij bij zich droeg te tonen.”
Althans een andere, door de rechtbank in goede justitie te bepalen rectificatie van deze of vergelijkbare strekking;
III. de Politie veroordeelt in de kosten van deze procedure.
Ter onderbouwing van deze vordering heeft [eiseres] het volgende aangevoerd. [eiseres] was bij de demonstratie aanwezig in haar hoedanigheid als journaliste. Door haar bij de demonstratie aan te houden en vervolgens vast te houden heeft de Politie een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op haar recht op vrijheid van nieuwsgaring. Zij vordert daarom een verklaring voor recht dat de Politie onrechtmatig heeft gehandeld en rectificatie van een eerder door de Politie gedane schriftelijke reactie over dit incident.
De Politie voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres]. De Politie heeft daartoe het volgende aangevoerd. De Politie betwist dat [eiseres] enkel als journaliste aanwezig was bij de demonstratie. [eiseres] nam deel aan de verboden demonstratie en heeft zich, ondanks eerdere waarschuwingen door de Politie, niet uit deze demonstratie teruggetrokken. Haar aanhouding en ophouding op het politiebureau was daarom rechtmatig en is er dan ook geen reden voor rectificatie.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Inleiding
[eiseres] doet een beroep op haar recht op vrijheid van nieuwsgaring. Dit maakt onderdeel uit van het recht op vrijheid van meningsuiting zoals opgenomen in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft meermalen het belang van dit recht op vrijheid van nieuwsgaring onderstreept, zeker in situaties waarbij het gaat om verslaggeving van (verboden) demonstraties. Het EHRM heeft daarover onder meer overwogen: “(…) the crucial role of the media in providing information on the authorities’ handling of public demonstrations and the containment of disorder must be emphasised. The “watchdog” role of the media assumes particular importance in such contexts since their presence is a guarantee that the authorities can be held to account for their conduct vis-à-vis the demonstrators and the public at large when it comes to the policing of large gatherings, including the methods used to control or disperse protesters or to preserve public order. Any attempt to remove journalists from the scene of demonstrations must therefore be subject to strict scrutiny”.Van de rechtbank wordt in dit soort zaken, en dus ook de onderhavige, een kritische blik verwacht.
Uit lid 2 van artikel 10 EVRM volgt dat een beperking van het in lid 1 opgenomen recht op vrijheid van nieuwsgaring enkel mogelijk is als deze beperking voorzien is bij wet, een legitiem belang dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Het vereiste dat een beperking ‘voorzien is bij wet’ betekent onder andere dat de beperking een wettelijke basis moet hebben in het nationale recht.
Niet in geschil is dat de aanhouding van [eiseres] een beperking is van het in artikel 10 lid 1 EVRM opgenomen recht op vrijheid van nieuwsgaring. Partijen twisten over de vraag of er in dit geval sprake was van een wettelijke grondslag voor deze beperking. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij als journaliste aanwezig was bij de demonstratie en er dus strafrechtelijk gezien geen reden was om haar aan te houden en vervolgens vast te houden. De Politie heeft dit betwist en heeft aangevoerd dat er een redelijk vermoeden van schuld was dat [eiseres] deelnam aan de demonstratie, en zij dus wel degelijk rechtmatig is aangehouden en vastgehouden.
Het wettelijk kader
Voor de beoordeling van deze zaak zijn de volgende wetsartikelen van belang.
Op grond van artikel 11 lid 1, aanhef en onder a, van de Wet openbare manifestaties is deelname aan een betoging waarvoor een verbod is gegeven, strafbaar. Op grond van artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is, in geval van ontdekking op heterdaad, een ieder bevoegd de verdachte aan te houden. Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen, op grond van artikel 27 lid 1 Sv aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit.
De rechtmatigheid van de aanhouding
De rechtbank is van oordeel dat de Politie onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [eiseres] enkel als journaliste aanwezig was bij de demonstratie. Ter onderbouwing van haar betwisting heeft de Politie drie processen-verbaal van de betrokken politieambtenaren overgelegd. Deze processen-verbaal, en in het bijzonder het proces-verbaal dat ziet op de aanhouding van [eiseres] zoals hiervoor opgenomen onder 3.10 (hierna: het proces-verbaal), stroken echter op cruciale punten niet met de door [eiseres] overgelegde stukken. De rechtbank licht dit toe.
[eiseres] heeft haar stelling voor een groot deel onderbouwd met de (metadata van) haar eigen opnames, het verslag van de legal observers en (het tijdstip van plaatsing van) een andere opname van haar aanhouding op X. Dit betreffen objectieve data en gegevens die niet door de Politie zijn betwist. De rechtbank zal deze gegevens dan ook als uitgangspunt nemen.
Als de processen-verbaal van de politie met deze gegevens worden vergeleken valt ten eerste op dat de tijdlijn zoals deze geschetst wordt in de processen-verbaal zich niet verhoudt tot deze objectieve gegevens. Zo staat in het proces-verbaal dat de eerste groep demonstranten samenkwam om 14.15 uur. Vervolgens beschrijft de politie allerlei gebeurtenissen die vervolgens zouden hebben plaatsgevonden. De hoeveelheid hiervan en de tijd die daarmee gepaard moet zijn gegaan verhoudt zich echter niet met het objectieve gegeven dat [eiseres] om 14:16:43 uur, dus minder dan twee minuten later, wordt aangehouden.
Verder is één van de springende punten dat in het proces-verbaal staat dat er op een bepaald moment via een megafoon werd aangegeven dat de demonstranten zouden worden aangehouden en dat [eiseres] enige tijd daarna werd aangehouden. Uit het verslag van de legal observers (die al vanaf 13.50 uur aanwezig waren) volgt dat pas om 14.22 uur de eerste waarschuwing door de politie werd gegeven dat de demonstranten zouden worden opgepakt. Uit de metadata van de opnames van [eiseres] en de tijdstip van de plaatsing van het bericht op X volgt dat [eiseres] op dat tijdstip al was aangehouden. Het lijkt dus niet te kunnen kloppen dat [eiseres] is aangehouden ná de eerste waarschuwing.
Daarnaast lijkt ook de inhoudelijke weergave van de gebeurtenissen zoals opgenomen in de processen-verbaal lastig te rijmen met wat er op de beelden te zien is. Zo komt de beschrijving van de aanleiding tot de tweede (en laatste) duw niet overeen met wat op de beelden is te zien. De Politie heeft daarover aangevoerd dat het kan zijn dat [eiseres] op een later moment is gaan filmen en dat dit niet betekent dat de lezing van de Politie is uitgesloten. De rechtbank ziet dit anders. Uit de beelden volgt duidelijk dat [eiseres] op het moment van de laatste duw bezig is een demonstrant te filmen en niet gefocust was op politieagent 1. Ook blijkt uit de beelden dat [eiseres] zich niet (opnieuw) richting politieagent 1 beweegt voordat zij wordt aangehouden. Beiden punten zijn in tegenspraak met de beschrijving in het proces-verbaal.
Ook op het punt van het door [eiseres] kenbaar maken van haar hoedanigheid als journaliste stroken de processen-verbaal niet met de opname. Op de opname is duidelijk te horen dat [eiseres] zich meermalen bij de politieagenten kenbaar maakt als journaliste en aanbiedt haar perskaart te tonen, waarop één van de politieagenten reageert met: “het is de bedoeling dat je die zichtbaar draagt” en “te laat”. Uit de processen-verbaal volgt echter dat zij zich niet kenbaar had gemaakt als journaliste en geen perskaart zou hebben getoond. Dit komt niet overeen met de beelden.
Gelet op al deze punten, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de Politie de stelling van [eiseres] dat zij enkel als journaliste bij de demonstratie aanwezig was onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De inhoud van de processen-verbaal strookt op cruciale punten niet met de beelden die [eiseres] en een omstander daarvan hebben gemaakt, en de waarnemingen door de legal observers. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de processen-verbaal.
Hiermee komt vast te staan dat [eiseres] enkel als journaliste bij de demonstratie aanwezig was. Er was geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld dat [eiseres] deelnam aan de verboden demonstratie. Er was daarmee geen wettelijke grondslag om [eiseres] aan te houden en vast te houden. Dit betekent dat de beperking van het in artikel 10 lid 1 EVRM vervatte recht op vrijheid van nieuwsgaring geen wettelijke basis had en dus niet voldoet aan de vereisten van lid 2 van dit artikel. Het handelen van de Politie is daarmee onrechtmatig. Dit leidt ertoe dat de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De rectificatie
Naast de verklaring voor recht heeft [eiseres] rectificatie gevorderd van de eerdere schriftelijke berichtgeving door de Politie. Op grond van artikel 6:167 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter, wanneer iemand jegens een ander aansprakelijk is ter zake van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard, hem op vordering van die ander veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aan te geven wijze.
Het verzoek van [eiseres] tot rectificatie richt zich op twee punten in de berichtgeving van de Politie, namelijk de reden voor aanhouding (inhoudende dat [eiseres] aan de demonstratie deelnam) en het kenbaar maken als journaliste. Uit het voorgaande volgt dat is komen vast te staan dat [eiseres] niet deelnam aan de demonstratie en dat zij zich wel degelijk kenbaar had gemaakt als journaliste. De eerdere berichtgeving was op beide punten dus onjuist. De Politie heeft door deze punten te noemen in haar eerdere berichtgeving onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres] en is daarvoor aansprakelijk. Dit betekent dat de vordering tot rectificatie wordt toegewezen.
Voor wat betreft het medium waarop de rectificatie moet worden verspreid, overweegt de rechtbank dat [eiseres] in de dagvaarding heeft gevorderd dat het wordt gepubliceerd op de website van de Politie en onder de aandacht wordt gebracht van NRC Handelsblad. De rechtbank zal deze vordering toewijzen. De Politie heeft verzocht om in geval van toewijzing te bepalen dat de rectificatie één week online moet staan. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. [eiseres] heeft afdoende aangetoond dat zij juist belang heeft bij voortdurende berichtgeving van de rectificatie, nu de oudere berichtgeving ook steeds in zoekopdrachten naar voren zal komen.
Ter zitting heeft [eiseres] toegevoegd dat de Politie de rectificatie ook moet verspreiden op sociale media. De rechtbank zal deze toevoeging aanmerken als een eiswijziging en als zodanig toelaten. De rechtbank zal bepalen, overeenkomstig het verzoek van de Politie, dat [eiseres] één bestaand sociaal media-account van de Politie aan mag wijzen, waarop de Politie de rectificatie moet plaatsen en geplaatst moet houden.
De rechtbank zal voor het plaatsen van de rectificatie een termijn van 7 dagen stellen.
De proceskosten
De Politie is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 147,92
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten X tarief II ad € 653,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.973,92
6. De beslissing
De rechtbank:
verklaart voor recht dat [eiseres] op 10 november 2024 door de Politie onrechtmatig is aangehouden en gedurende negen uren is vastgehouden voor verhoor;
gelast dat de Politie binnen 7 dagen na dit vonnis het volgende bericht plaatst en geplaatst houdt op haar website en op één door [eiseres] aan te wijzen sociaal media-account, en onder de aandacht brengt van NRC Handelsblad:
“RECTIFICATIE
Aanhouding journaliste was onrechtmatig
Bij vonnis van 10 juni 2026 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat de aanhouding van een journaliste bij een verboden demonstratie op de Dam in Amsterdam op 10 november 2024 onrechtmatig was.
Ten onrechte meldde de politie na de aanhouding in verschillende media (waaronder NRC Handelsblad) dat de reden voor de aanhouding was dat de journaliste aan de demonstratie deelnam. Daarvan is niets gebleken. Zij maakte zich in tegenstelling tot wat de politie meldde, kenbaar als journaliste en bood aan de perskaart die zij bij zich droeg te tonen.”
veroordeelt de Politie in de proceskosten van [eiseres], tot op heden begroot op € 1.973,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Politie niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de Politie € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 6.2 en 6.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.C. Kool en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
Type: 3390