ECLI:NL:RBDHA:2026:15515

ECLI:NL:RBDHA:2026:15515

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer NL26.23545
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, beroep, noodzakelijke bescheiden niet op korte termijn voorhanden, onvoldoende voortvarend handelen, lichter middel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

verweerder van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.23545

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),

en

(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.M.J. de Wit. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Noodzakelijke bescheiden niet op korte termijn voorhanden

1. Volgens eiser had verweerder artikel 59, tweede lid, van de Vw niet aan de maatregel te grondslag mogen leggen. Daartoe voert hij aan dat niet duidelijk is of Letland hem zal toelaten, aangezien het dossier geen bewijs bevat van een geaccepteerde overdracht door Letland. Daarnaast is volgens eiser de maatregel van bewaring onvoldoende gemotiveerd, omdat niet is geconcretiseerd dat de benodigde bescheiden op korte termijn beschikbaar zijn. Op dit moment zijn er alleen kopieën van verlopen reisdocumenten voorhanden. Hierbij verwijst hij naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 maart 2022. Eiser stelt dat doordat niet is aangetoond dat de benodigde bescheiden snel beschikbaar zijn, de bewaring niet op artikel 59, tweede lid, van de Vw had mogen worden gebaseerd. Volgens hem had de maatregel moeten steunen op het eerste lid van dat artikel, waarbij verweerder het onttrekkingsrisico had moeten toelichten.

2. Allereerst is van belang dat de Afdeling in de uitspraak van 12 januari 2022 heeft geoordeeld dat artikel 59, tweede lid, van de Vw verweerder de bevoegdheid geeft om derdelander-vreemdelingen met een verblijfsvergunning in een andere lidstaat van de Europese Unie in bewaring te stellen met het oog op gedwongen verwijdering naar die lidstaat. In artikel 59, tweede lid, van de Vw is verder bepaald dat het belang van de openbare orde wordt geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn.

3. In de maatregel heeft verweerder gesteld dat de Dienst Terugkeer en Vertrek aangeeft dat de reisdocumenten van eiser binnenkort beschikbaar zijn en dat eiser in het bezit is geweest van een vreemdelingenpaspoort. Ook staat in de maatregel dat er op dat moment kopieën van reisdocumenten beschikbaar waren. Dat eiser binnenkort zal beschikken over een geldig reisdocument op basis waarvan hij uitgezet of overgedragen kan worden, maakt volgens verweerder ook dat er zicht op uitzetting of overdracht is. Uit het dossier blijkt dat verweerder op 29 april 2026 een terug- en overnameverzoek heeft verzonden aan de Letse autoriteiten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende onderbouwd dat de voor eisers terugkeer noodzakelijke documenten op het moment van de inbewaringstelling op korte termijn voorhanden waren. Eiser heeft in het verleden rechtmatig verblijf gehad in Letland, zoals blijkt uit kopieën van zijn inmiddels verlopen Letse vreemdelingenpaspoort en Letse identiteitskaart die in het dossier zijn opgenomen. Anders dan eiser stelt, maakt het feit dat deze zijn verlopen naar het oordeel van de rechtbank niet dat daaraan geen waarde kan worden gehecht in het kader van de beoordeling van de toepassing van artikel 59, tweede lid, van de Vw. Het is goed voorstelbaar dat het feit dat eiser eerder in het bezit is gesteld van een Letse identiteitskaart, helpt bij het verkrijgen van een geldig reisdocument voor dat land.

4. Verweerder heeft de bewaring dus terecht gebaseerd op artikel 59, tweede lid, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.

Onvoldoende voortvarend handelen

5. Verweerder handelt volgens eiser onvoldoende voortvarend door pas op 29 april 2026 een terug- en overnameverzoek te verzenden aan de Letse autoriteiten terwijl eiser al op 26 april 2026 in bewaring is gesteld.

6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2829), volgt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de overdracht op de zevende dag voldoende voortvarend is. Uit het dossier blijkt dat verweerder op de tweede dag van de inbewaringstelling, op 28 april 2026, toestemming aan het Openbaar Ministerie heeft gevraagd voor de uitzetting van eiser. Daarnaast volgt zoals gezegd uit de aanbiedingsbrief van 5 mei 2026 dat verweerder op 29 april 2026 een terug- en overnameverzoek heeft verzonden aan de Letse autoriteiten. Op 30 april 2026 heeft verweerder een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Een verslag daarvan bevindt zich ook in het dossier. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

7. Eiser stelt dat sprake is van zwaarwegende feiten en omstandigheden die maken dat verweerder van de inbewaringstelling had moeten afzien. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij ernstige verslavingsproblemen heeft en afhankelijk is van methadon. Er is dus sprake van een zorgbehoefte wat een verhoogde zorgplicht met zich mee brengt voor verweerder. Eiser stelt dat verweerder daarom concreet had moeten motiveren dat en hoe de noodzakelijke medische zorg daadwerkelijk en direct beschikbaar is binnen de detentie. Ook moet worden uitgelegd waarom detentie ondanks deze zorgbehoefte verantwoord is. De algemene opmerking dat eiser altijd een beroep kan doen op de FARR-arts en het medisch team in het detentiecentrum, is onvoldoende volgens eiser. Daarnaast roept de verklaring van eiser, waarin hij aangeeft dat hij in Letland de gevangenis in moet, vragen op waarop verweerder niet is ingegaan. Eiser vindt dat deze verklaring aanleiding had moeten geven tot nader onderzoek en stelt dat de beslissing tot inbewaringstelling daardoor onzorgvuldig is genomen.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:16) volgt dat medische voorzieningen in het detentiecentrum vergelijkbaar moeten worden verondersteld met de medische zorg in de vrije maatschappij. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is, dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische zorg zal verslechteren. Eiser heeft ook niet uitgelegd waarom zijn verslavingsproblematiek maakt dat een lichter middel zoals een meldplicht doeltreffend kon worden toegepast. In de maatregel is overwogen dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan het bevel van 28 december 2025 om zich onmiddellijk te begeven naar het grondgebied van Letland. Daarnaast heeft eiser geen concrete stappen ondernomen om zijn terugkeer naar Letland te bewerkstelligen. Ook heeft eiser verklaard niet mee te willen werken aan zijn terugkeer naar Letland. Voor wat betreft eisers verklaring dat hij in Letland naar de gevangenis moet, ziet de rechtbank geen aanleiding om een lichter middel toe te passen. De bewaringsrechter toetst de bewaring in Nederland, niet de gevangenisstraf in Letland. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

9. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.C. Harting

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand