ECLI:NL:RBDHA:2026:15519

ECLI:NL:RBDHA:2026:15519

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer 25.14154
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Somalië, opvolgende asielaanvraag, overgelegde originele documenten zijn onderzocht door Bureau Documenten, maar onderzoeksrapport ontbreekt, het besluit is onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen, artikelen 3:2 en 3:49 Awb.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.14154

(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),

en

(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de (opvolgende) asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is daarom gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 11 februari 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend.

De minister heeft met het besluit van 25 maart 2025 (het bestreden besluit) de opvolgende asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.

Eiser heeft op 26 maart 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Said als tolk en de gemachtigde van de minister.

De rechtbank heeft het verzoek van de minister op de zitting om aanhouding van de zaak teneinde na te kunnen gaan of is voldaan aan de vergewisplicht, afgewezen. De rechtbank acht die informatie niet relevant voor de beoordeling van het beroep.

Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.Beoordeling door de rechtbank

De totstandkoming van het bestreden besluit

Eerdere asielaanvraag

3. Eiser heeft eerder op 30 augustus 2022 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Aan deze asielaanvraag heeft hij het volgende relaas ten grondslag gelegd. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002. Eiser heeft verklaard dat hij in Somalië heeft gewerkt bij de Somali Women Journalist Organisation (de SWJO), een niet-gouvernementele organisatie (ngo) die opkomt voor de rechten van vrouwen. Hij is vanwege zijn werkzaamheden voor deze ngo meerdere keren bedreigd door Al-Shabaab. Als gevolg van deze bedreigingen is hij uit Somalië gevlucht.

De minister heeft deze asielaanvraag in het besluit van 8 februari 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht, maar de verklaringen van eiser over zijn werkzaamheden voor de ngo en de bedreigingen van Al-Shabaab zijn volgens de minister ongeloofwaardig.

Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 16 april 2024 is het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Op 29 april 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep tegen deze uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft ze de motiveringen van de rechtbank onder 6.1 en 8.1 overgenomen.

Huidige opvolgende asielaanvraag

4. Op 11 februari 2025 heeft eiser onderhavige opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag (nieuwe) originele documenten ten grondslag gelegd om zijn eerdere asielrelaas te onderbouwen. Het gaat om een origineel arbeidscontract van de SWJO, een originele werkpas van de SWJO, originele salarisstroken van de SWJO, notulen van de FESOJ en een vertaling daarvan, verschillende internetberichten van de SWJO, een e-mail van de SWJO en een e-mail van de FESOJ. Volgens eiser tonen deze documenten aan dat hij heeft gewerkt voor de SWJO. Vanwege deze werkzaamheden werd hij bedreigd door Al-Shabaab. Er zijn ook twee collega's om het leven gebracht en nadat eiser is gevlucht uit Somalië is ook zijn baas om het leven gebracht. Terugkeer naar Somalië levert volgens eiser dan ook een schending op van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

- de werkzaamheden bij de ngo SWJO;

- de bedreigingen van Al-Shabaab.

De minister heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst wederom geloofwaardig geacht. De minister acht ook nog steeds ongeloofwaardig dat eiser werkzaam is geweest voor de SWJO. De door eiser overgelegde (originele) documenten maken dit niet anders. De minister wijst er daarbij op dat de originele documenten (de werkpas, het arbeidscontract en de salarisstroken) niet op echtheid kunnen worden beoordeeld door het neutrale advies van Bureau Documenten. Daarnaast heeft eiser verwezen naar e-mailverkeer en notulen die niet verifieerbaar zijn en waarvan de herkomst onduidelijk blijft. Bovendien heeft de rechtbank eerder al vastgesteld dat de inhoud van de documenten, die eiser aanduiden als boekhouder/finance officer, haaks staan op eisers verklaringen dat hij seminars organiseerde. De taken van een finance officer komen niet overeen met wat eiser heeft verklaard over zijn werkzaamheden. Bovendien komen eisers verklaringen over de doelstellingen van SWJO – dat de organisatie zich richt op algemene vrouwenrechten – niet overeen met de daadwerkelijke focus op het bevorderen van rechten en de positie van Somalische vrouwelijke journalisten, zoals blijkt uit de SWJO-website. Ten slotte acht de minister eisers gestelde problemen met Al-Shabaab ook nog steeds ongeloofwaardig. Deze problemen zouden voortvloeien uit eisers werkzaamheden bij SWJO, maar omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij deze ngo heeft gewerkt worden zijn problemen met Al-Shabaab niet verder getoetst op geloofwaardigheid. Volgens de minister kan eiser niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië.

Daarom heeft de minister de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op een van de gronden van artikel 29 van de Vw afgewezen. De aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw omdat het een opvolgende aanvraag is die nietniet-ontvankelijk is verklaard.

Het standpunt van eiser

6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert allereerst aan dat het digitale dossier ten onrechte niet het onderzoeksresultaat van Bureau Documenten bevat. Hierdoor is het onduidelijk waarop het neutrale advies van Bureau Documenten over de overgelegde originele documenten is gebaseerd. Het is ook onduidelijk waarom er tijdens het gehoor opvolgende aanvraag niet met eiser is gesproken over het neutrale advies van Bureau Documenten.

Eiser betoogt verder dat er tijdens zijn vorige asielprocedure groot gewicht is toegekend aan het feit er geen authentieke documenten zijn overgelegd. Eiser heeft in onderhavige procedure echter originele documenten overgelegd, zodat hiermee alles in een ander licht komt te staan en zijn verklaringen anders gewogen dienen te worden. De minister kan in het bestreden besluit dan ook niet volstaan met verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 16 april 2024 op het beroep in eisers vorige asielprocedure. De minister gaat ten onrechte niet in op wat eiser in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht. Uit het arrest LH tegen Nederland van 10 juni 2021 volgt dat, nu er originele documenten zijn overgelegd, er bij een herhaald asielverzoek een geheel nieuwe beoordeling dient plaats te vinden als zijnde het een eerste asielaanvraag betreft. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de minister dit heeft gedaan. In dit kader wijst eiser ook op Werkinstructie 2023/7, op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 4 oktober 2024, een uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2004 en nog een aantal uitspraken die toezien op een conclusie waarbij de authenticiteit van de overgelegd documenten niet vastgesteld kon worden. Volgens eiser mag gelet op deze uitspraken niet voorbijgegaan worden aan documenten met een neutraal advies. De minister had – in het kader van de samenwerkingsplicht – contact kunnen zoeken met de SWJO, dan wel de FESOJ, om één ander te verifiëren.

Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de minister zijn werkzaamheden voor SWJO ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daarbij heeft de minister eiser niet kunnen tegenwerpen dat de taken van een finance officer niet overeenkomen met wat eiser heeft verklaard over zijn werkzaamheden. Bovendien lijkt het alsof dit standpunt op voorhand vaststond, nu er niet over is doorgevraagd. Er is dan ook sprake van onzorgvuldig handelen. Het is onduidelijk in hoeverre is onderzocht wat een finance officer doet bij een lokale organisatie in [plaats]. Dit is namelijk niet hetzelfde als een finance officer in Nederland. Hieruit volgt dat er op geen enkele manier rekening is gehouden met de achtergrond van eisers werk en het land waar hij vandaan komt. Los daarvan lijkt de minister de invulling van een finance officer te zien als een soort van boekhouder. Een finance officer is echter meestal een financieel medewerker of manager die zich bezighoudt met verschillende aspecten van financieel beheer, zoals budgettering, financiële rapportage, kostenbeheersing en soms risicobeheer. Het is onjuist om in deze specifieke context uit te gaan een boekhouder in de strikte betekenis van deze Nederlandse term. Het betreft hier werk voor een kleine Somalische ngo en het was de allereerste baan van eiser, die niet was opgeleid tot boekhouder. Eiser heeft ook verteld dat het team in [plaats] nog maar net was opgericht, te weten in januari 2022. De hoofdactiviteit van het team in [plaats] was het organiseren van seminars en daarbij was eiser verantwoordelijk voor de financiële uitgaven, het ramen van de kosten en de financiële verslaglegging.

De minister werpt eiser ook ten onrechte tegen dat de taak die de SWJO heeft volgens de website, niet overeenkomt met wat eiser daarover heeft verklaard. Het is nog maar de vraag of de website van een organisatie als SWJO iets kan zeggen over hetgeen binnen een lokale afdeling in [plaats] wordt gedaan. Er was slechts sprake van één computer binnen de organisatie en die was van eisers baas. Eiser had de website van SWJO nooit gezien en heeft enkel van zijn baas gehoord wat de organisatie doet. Het is overigens ook nog goed in te denken dat SWJO in [plaats] wel voor vrouwelijke journalisten opkomt, maar dat dit in [plaats] minder speelt nu dit een stad is met 360.000 inwoners, terwijl in [plaats] ruim 2.5 miljoen mensen wonen. Het aandeel vrouwelijke journalisten is daarmee een stuk lager. Eiser is aangenomen door zijn baas, die hij kende als buurtgenoot. Op het moment dat deze hem rekruteerde wist eiser überhaupt nog niets van de SWJO. Wat hem motiveerde was de kans op zijn eerste baan en het feit dat het een organisatie betrof die zich inzette voor vrouwen. Dit laatste was een belangrijke motivatie voor hem. Toen eiser in januari 2022 in het kantoortje in [plaats] ging werken wist hij over de SWJO alleen wat zijn baas hem had verteld over de globale missie van de SWJO. Hij heeft in de tijd dat hij nog in Somalië was nooit de officiële website bezocht van de organisatie. Voor eiser was het, die eerste zes maanden, voldoende dat hij werk had bij een organisatie die zich richtte op de verbetering van de positie van vrouwen. Zelf heeft hij in Somalië ook nooit contact gehad met het hoofdkantoor of andere collega’s dan die werkten in het kantoortje in [plaats]. Bovendien heeft eiser tijdens het gehoor nog enkele pagina’s van de website overgelegd waaruit volgt dat de SWJO niet enkel opkwam voor vrouwelijke journalisten, maar dat het breder was. Hier is ten onrechte niets mee gedaan. Ten slotte wijst eiser erop dat de activiteiten van SWJO helemaal niet beperkt zijn tot journalisten. Dat blijkt uit zijn verklaringen maar ook uit de website.

Voor wat betreft de overige overgelegde documenten stelt eiser zich op het standpunt dat de minister deze onvoldoende gemotiveerd terzijde heeft geschoven omdat ze niet origineel en niet verifieerbaar zijn. Deze documenten zijn naar hun aard weliswaar niet origineel, maar wel zeer relevant voor de beoordeling van de aanvraag. Aan deze documenten kan onder omstandigheden wel degelijk ook bewijswaarde worden toegekend. De minister zal in elk geval kenbaar moeten motiveren hoe hij rekening heeft gehouden met de overgelegde stukken.

De voorzitter van de SWJO heeft in een e-mail van 18 september 2024 bevestigd dat eisers baas [naam] is vermoord en daarnaast heeft zij de contactgegevens van de FESOJ gegeven. Het was eiser daarvoor niet bekend dat zijn baas ook actief was binnen de FESOJ. De FESOJ heeft dit ook bevestigd. Daarnaast volgt uit de notulen van een vergadering uit oktober 2022 van de FESOJ dat zijn baas ook is vermoord. In de e-mails die zijn overgelegd blijkt dat ‘ene Paul’ de heer Paul Evers is, die ook bij het gehoor aanwezig was en medewerker is van Vluchtelingenwerk Nederland. Alle gegevens en emailadressen van de personen van SWJO en FESOJ zijn ook overgelegd en daarmee bekend en te verifiëren. Op grond van de samenwerkingsverplichting had de minister dat moeten doen. Nu de minister niet op deze stukken en eisers verklaringen daarover is ingegaan en enkel heeft verwezen naar de vorige asielprocedure is er sprake van een motiveringsgebrek en van onzorgvuldig handelen.

Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat hij gevaar loopt bij terugkeer naar Somalië omdat hij terug moet naar een gebied waar Al-Shabaab aan de macht is en dat dat in zijn algemeenheid gevaren met zich meebrengt, los van zijn individuele problemen. Hiermee is echter niets gedaan in het bestreden besluit. Ook op dit punt is er dus sprake van een motiveringsgebrek. In dit kader is van belang dat eiser niet uit [plaats] komt, maar uit [plaats]. Uit de door eiser overgelegde informatie volgt dat Al-Shabaab aan het oprukken is. Eiser zal bij terugkeer moeten reizen over Al-Shabaab gebied en dat is in strijd met artikel 3 EVRM. In de zienswijze is op dit punt verwezen naar het arrest Sufi en Elmi van 28 juni 2011. Hierop is in zijn geheel niet ingegaan en daarmee is er ook op dit punt sprake van een motiveringsgebrek.

Het oordeel van de rechtbank

7. In de uitspraak van 16 april 2024 die ziet op eisers eerdere asielprocedure heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem geoordeeld dat de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser werkzaam is geweest voor de SWJO, onder andere omdat de door eiser overgelegde documenten slechts van beperkte (bewijs)waarde zijn nu dit geen originele documenten betreffen, maar kopieën die niet op echtheid kunnen worden onderzocht. De rechtbank stelt voorop dat dit oordeel in rechte vaststaat. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in onderhavige procedure niet zonder meer op het standpunt mogen stellen dat de originele documenten die eiser nu heeft overgelegd, niet tot een andere conclusie leiden. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser heeft, anders dan in zijn eerdere asielprocedure, een originele werkpas, een origineel arbeidscontract en originele salarisstroken van de SWJO overgelegd om zijn werkzaamheden bij de SWJO tussen januari en juni 2022 te onderbouwen. Uit het bestreden besluit volgt dat Bureau Documenten deze documenten heeft onderzocht en beoordeeld, waarbij telkens een neutraal advies is gegeven. Wanneer er een neutraal advies is uitgebracht betekent dit dat er geen uitspraak kan worden gedaan over de echtheid, opmaak, afgifte en inhoud van het document. Wanneer een document wordt beoordeeld als neutraal dan worden er geen verklaringen aangemaakt, aldus de minister. Er is dan ook geen onderzoeksrapport door Bureau Documenten opgesteld.

De rechtbank constateert dat de minister voor de motivering van het bestreden besluit verwijst naar het advies van Bureau Documenten. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 9 juni 2016, volgt dat een door Bureau Documenten opgestelde verklaring van onderzoek een deskundigenadvies is aan de minister ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden, waarvan de minister in beginsel mag uitgaan. Indien de minister een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, dient hij zich er ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wel van te vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 19 september 2013 en 16 oktober 2015 geoordeeld dat de beoordeling of een door een vreemdeling overgelegd document authentiek of vals of vervalst is, een specifieke deskundigheid vereist die de minister noch de bestuursrechter heeft. Daarom kan een vreemdeling de uitkomst van een beoordeling door Bureau Documenten slechts met succes bestrijden door een andersluidende contra-expertise van een deskundige in te brengen. Het aanvoeren van concrete aanknopingspunten op basis waarvan een vreemdeling meent dat niet van de juistheid van de uitkomst van het deskundigenadvies van Bureau Documenten kan worden uitgegaan, is onvoldoende.

De rechtbank stelt verder vast dat de minister in het bestreden besluit heeft opgemerkt dat hij eiseres niet in het bezit kan stellen van het onderzoeksrapport van Bureau Documenten, omdat dat niet is opgesteld. De rechtbank constateert dat zich in het dossier ook geen onderzoeksrapport van Bureau Documenten bevindt of andere berichten van Bureau Documenten. Het dossier bevat slechts een uitdraai van het interne systeem van de minister waarin het onderzoeksresultaat ‘neutraal advies’ is verwerkt. In dat licht is van belang dat artikel 3:49 van de Awb bepaalt dat voor de motivering van een besluit of onderdeel daarvan, kan worden volstaan met verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, als het advies zelf de motivering bevat én van het advies kennis is of wordt gegeven. Doel van dit artikel is om de voorwaarden te formuleren waaraan moet zijn voldaan, wil deze wijze van motiveren rechtens aanvaardbaar zijn.

Nu de minister zijn besluit motiveert onder verwijzing naar het (deskundigen)advies van Bureau Documenten zonder dat er een onderzoeksrapport van dat advies is, is het besluit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen. Enerzijds kon de minister niet voldoen aan zijn vergewisplicht bij gebrek aan een onderzoeksrapport van Bureau Documenten. Anderzijds is het voor eiseres niet kenbaar wat het advies van Bureau Documenten is en of de minister dat wel op juiste wijze in zijn besluitvorming heeft betrokken. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat zij, anders dan de minister stelt, uit de Vakbijlage van Bureau Documenten niet kan afleiden dat bij een neutraal advies nooit een onderzoeksrapportage wordt opgesteld.

Daarbij komt dat de minister zich kennelijk op het standpunt stelt dat nu Bureau Documenten een neutraal advies heeft gegeven, de overgelegde documenten geen bewijswaarde toekomen. Zonder nader in te gaan op de inhoud van die documenten kon de minister die conclusie niet trekken. Immers, de documenten kunnen het ongeloofwaardig geachte deel van eisers asielrelaas onderbouwen nu ze zien op de door hem gestelde dienstbetrekking bij SWJO. Dat betekent dat ze wel bewijswaarde toekomt en dat de minister kenbaar moet beoordelen welke bewijswaarde hij die toekent in het licht van eisers verklaringen en de overige op de zaak betrekking hebbende stukken. Dit geldt temeer nu eiser in zijn eerste asielprocedure is tegengeworpen dat hij slechts kopieën van de documenten had overgelegd.

Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

8. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluiten dient te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet, gelet op de aard van het gebrek, geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. De minister dient, met inachtneming van deze uitspraak, binnen 8 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag van eiser te nemen.

Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd blijft, gelet op het voorgaande, onbesproken.

Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op om met inachtneming van deze uitspraak binnen 8 weken na verzending daarvan een nieuw besluit te nemen op de opvolgende asielaanvraag;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Geuze, rechter, in aanwezigheid van K. Postema, griffier

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 2 juni 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J. Geuze

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand