[eiser] , v-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. L.J.E. Altdorf).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser van 29 juli 2025 tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
Eiser heeft op 25 juni 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 25 maart 2025 heeft de minister een voornemen uitgebracht. Op 7 mei 2025 heeft de minister dit voornemen aangevuld in een aanvullend voornemen. Eiser heeft op beide voornemens gereageerd met een zienswijze.
De minister heeft met het bestreden besluit van 1 juli 2025 de aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Aan eiser is in het bestreden besluit uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026.
Ter zitting heeft de rechtbank begrepen dat er tevens een procedure loopt op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Ten tijde van de zitting was van deze procedure nog geen uitkomst bekend.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van de minister en B. Ghaly als tolk.
Overwegingen
2. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2007.
Asielrelaas
Eiser heeft het volgende asielrelaas ten grondslag gelegd aan zijn aanvraag. Eiser heeft verklaard dat hij niet wil dienen in de militaire dienstplicht in Egypte als hij 18 jaar oud wordt. Eiser heeft tevens verklaard dat hij gevlucht is uit Egypte vanwege zijn angst om slachtoffer van bloedwraak te worden als gevolg van familieproblemen.
Eiser heeft de volgende documenten ten grondslag gelegd aan zijn asielaanvraag: een paspoort, identiteitskaart, uittreksel geboorteakte, foto van een gekantelde auto, screenshots van gesprekken op sociale media die over familieproblemen gaan, niet vertaalde huurcontracten en een wachtlijstplaatsing bij [locatie] .
Besluitvorming
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;2. eiser moet de militaire dienstplicht vervullen zodra hij 18 jaar wordt;3. eiser heeft problemen vanwege bloedwraak naar aanleiding van familieproblemen.
Het eerste en tweede asielmotief acht de minister geloofwaardig, het derde asielmotief acht de minister ongeloofwaardig.
Ten aanzien van de militaire dienstplicht overweegt de minister als volgt. Het is weliswaar aannemelijk dat eiser als hij 18 jaar wordt militaire dienstplicht heeft, maar eiser heeft zijn daarmee verband houdende vrees niet aannemelijk gemaakt. Het enkele feit dat een vreemdeling dienst gaat weigeren, heeft geweigerd of is gedeserteerd en hiervoor bestraffing heeft te duchten, is op zichzelf niet voldoende om te concluderen dat de betrokken vreemdeling vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook de enkele angst om te worden ingezet in een gewapend conflict is hiervoor niet voldoende. Het is niet aannemelijk dat eiser als dienstplichtige handelingen moet (gaan) verrichten die oorlogsmisdrijven vormen of misdrijven die vallen onder artikel 1F. Het is niet aannemelijk dat eiser disproportioneel of discriminatoir bestraft gaat worden bij dienstweigering. En er is geen sprake van gewetensbezwaren.
Ten aanzien van de bloedwraak stelt de minister zich op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser zich niet kan wenden tot de Egyptische autoriteiten.
In het aanvullend voornemen en het bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser geen verblijfsvergunning regulier krijgt op grond van hetbuitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Ter zitting is gebleken dat het buitenschuldbeleid in een aparte procedure aan de orde komt.
Verder heeft de minister zich in het aanvullend voornemen op het standpunt gesteld dat terugkeer naar het land herkomst in dit geval in eisers belang wordt geacht, en daarmee in het belang van het kind zoals verwoord in artikel 3 van het IVRK.
Beoordeling door de rechtbank
Dienstplicht
5. Eiser voert in beroep het volgende aan. Eiser zegt te vrezen voor de militaire dienstplicht in Egypte. Vanwege zijn opleiding en meertaligheid loopt eiser relatief meer risico om aan de grens en in [plaats] zijn militaire dienstplicht te vervullen, omdat hij in meerdere talen kan communiceren. Eiser vindt een periode van 36 maanden dienstplicht onredelijk lang. Eiser wil, ongeacht de werkzaamheden, niet meewerken aan het systeem van dienstplicht en heeft hiertegen gewetensbezwaren. Eiser kan geen vrijstelling krijgen voor de dienstplicht. Verder stelt eiser, naar de rechtbank mede naar aanleiding van hetgeen is besproken ter zitting begrijpt, dat het toetsingskader van pagina 4 van het bestreden besluit te strikt is. De minister had in het kader van de samenwerkingsplicht en onderzoeksplicht en gezien het referentiekader van eiser nader moeten onderzoeken of eiser in militaire dienst risico loopt deel te moeten nemen aan oorlogsmisdrijven, eiser nader moeten bevragen over zijn gewetensbezwaren, en of bestraffing onevenredig is.
Als dienstplichtweigeraar - althans het niet gehoor hebben gegeven aan de dienstplicht, zeker nu eiser na lang verblijf in het buitenland terugkeert aan de grens - zal eiser wel degelijk in de negatieve aandacht van de Egyptische autoriteiten staan. Dit is onvoldoende onderkend door de minister.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stellingen ten aanzien van de vrees voor dienstplicht en overweegt daartoe als volgt.
Uit paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 volgt dat wanneer een vreemdeling stelt te vrezen voor vervolging vanwege dienstweigering of desertie, de minister eerst toetst of de vreemdeling de dienst heeft geweigerd of is gedeserteerd omdat hij vreesde te moeten deelnemen aan oorlogsmisdrijven. Pas als daarvan geen sprake is, toetst de minister of dienstweigering of desertie leidt tot onevenredige discriminatoire bestraffing dan wel of deze voortkomt uit onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege een godsdienst of andere diepgewortelde overtuiging. Het feit dat de vreemdeling weigert zijn militaire dienst te vervullen of is gedeserteerd en in verband hiermee bestraft wordt met een gevangenisstraf of ontslag uit het leger, is op zichzelf onvoldoende om als daad van vervolging aan te merken.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij concreet risico loopt om als dienstplichtige deel te nemen aan het plegen van oorlogsmisdrijven. Eiser heeft dit niet onderbouwd. De stelling in beroep en ter zitting dat eiser gezien zijn meertaligheid ingezet zal worden aan de grens en in Gaza en Soedan is daarvoor onvoldoende. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank bovendien afdoende toegelicht dat eiser zelf heeft verklaard dat militairen willekeurig worden geplaatst, en dat uit het ambtsbericht en andere openbare bronnen niet blijkt dat het vanwege de meertaligheid van eiser of anderszins aannemelijk is dat sprake zal zijn van een plaatsing in oorlogsgebied waarbij ook sprake zal zijn van oorlogsmisdrijven. Daarbij is van belang dat het mogelijk uitvoeren van gevechtshandelingen op zichzelf niet zonder meer gelijkstaat aan het plegen van oorlogsmisdrijven.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bestraffing op het ontlopen van dienstplicht discriminatoir of onevenredig is. Uit het ambtsbericht blijkt dat het niet vervullen van de dienstplicht in de praktijk kan leiden tot een geldboete of een gevangenisstraf van maximaal twee jaren en dat volgens een bron in de praktijk een geldboete de gangbare straf is. Eisers stelling ter zitting dat voorgaande alleen geldt voor personen van 30 jaar en ouder (en naar de rechtbank begrijpt dus niet voor hem omdat hij jonger is dan 30 jaar) volgt de rechtbank niet nu dit niet volgt uit het ambtsbericht.
Verder blijkt niet dat dienstweigeraars anders worden behandeld dan andere gevangenen. Gelet hierop volgt de rechtbank niet dat eiser een gegronde vrees heeft voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing. Dit te meer nu uit het ambtsbericht blijkt dat de autoriteiten in Egypte dienstweigeraars niet actief vervolgen en eiser met zijn stelling over meertaligheid en terugkeer niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt waarom dit voor hem anders zou zijn. Maar ook dan geldt hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de evenredigheid van de mogelijke bestraffing.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege een godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging de dienstplicht heeft geweigerd of zal weigeren. De minister wijst in dit verband terecht op de tegenstrijdige en niet afdoende verklaringen van eiser.
Zo stelt eiser eerst dat hij niet wil dienen omdat hij geen wapen wil dragen. Als er gevraagd wordt om toe te lichten waarom hij niet wil dienen zegt hij: ‘Tijdens de militaire dienst leer je letterlijk niets over hoe je moet vechten en hoe je een wapen moet dragen. Maar je gaat echt rare dingen doen, zoals de wc schoonmaken en kleren wassen en chauffeur zijn voor een generaal. Dat heeft niets te maken met een militair zijn. Zulke dingen wil ik ook graag niet doen’ Eiser stelt dus eerst dat hij niet wil dienen omdat hij geen wapen wil dragen om vervolgens uit te leggen dat hij niet wil dienen omdat hij dan dingen moet doen die niets te maken hebben met het zijn van een militair en je niets leert over hoe je een wapen moet dragen. Deze verklaringen zijn tegenstrijdig.
Aan eiser is vervolgens nog de gelegenheid geboden om over zijn bezwaren nader te verklaren. Eiser stelt dan enkel dat hij niet wil dienen door de slechte ervaring van zijn vader in het leger en dat hij het onacceptabel vindt dat hij gedwongen wordt om de militaire dienst te vervullen. Deze verklaringen heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank summier mogen vinden en niet voldoende om te voldoen aan het vereiste ‘diepgewortelde godsdienstige of andere overtuiging’ zoals staat vermeld in de Vc 2000.
Eisers stelling, onder verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025, en van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 8 augustus 2025, dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd op verschillende punten geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Gelet op de vraagstelling in het nader gehoor is de rechtbank van oordeel dat de minister wel degelijk afdoende heeft doorgevraagd. De door eiser in dit kader genoemde uitspraken zien op de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielmotief, maar dat voor eiser vanaf 18 jaar een militaire dienstplicht geldt is door de minister aangenomen. De verwijzing naar deze uitspraken treft dus geen doel.
Gelet op het voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan een van de voorwaarden van paragraaf C2/3.2 van de Vc 2000 en dat eiser daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees bij terugkeer naar Egypte heeft.
Problemen wegens bloedwraak
7. Eiser stelt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser in het kader van de problemen omtrent de bloedwraak bescherming kan krijgen van de Egyptische autoriteiten. Het doen van aangifte bij de Egyptische politie heeft volgens eiser geen zin omdat zijn familie ook is bedreigd door de politie. Eiser verwijst in dit kader naar de zaak van de Nederlandse [naam] , die ook tevergeefs hulp zocht bij de politie, en ook verwijst eiser naar informatie over femicide. Verder stelt eiser dat de tegenwerping van de minister dat eiser geen aangifte heeft overgelegd in strijd is met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025.Subsidiair verzoekt eiser om onderhavige zaak aan te houden totdat de prejudiciële vragen over de nieuwe werkinstructie geloofwaardigheidsbeoordeling zijn beantwoord door het Europees Hof.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stellingen ten aanzien van de bloedwraak en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank begrijpt – mede gezien hetgeen ter zitting is besproken - het bestreden besluit zo dat niet in geschil is dat eisers familie in Egypte problemen had met een andere familie vanwege bloedwraak. De minister stelt echter dat daarmee nog niet gegeven is dat deze problematiek zich dusdanig uitstrekt tot eiser dat hij daarvan persoonlijk problemen zal ondervinden. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op dit standpunt heeft gesteld. Zo volgt de rechtbank de minister in de tegenwerping dat eiser stelt dat hij met zijn familie naar de politie is gegaan om aangifte te doen, maar dat hij hier geen nadere informatie van overgelegd. Dat eiser geen stukken of een registratienummer van zijn aangifte heeft ontvangen na het doen van aangifte is namelijk in strijd met de beschikbare landeninformatie hierover. In het ambtsbericht staat namelijk het volgende: ‘Bij mondelinge aangifte ontvangt de aangever een zaaknummer met betrekking tot de opvolging van de zaak. Bij schriftelijke aangifte ontvangt de aangever een kopie van het schriftelijke rapport.’
Eisers stelling dat het onmogelijk is om aangifte te doen bij de politie vanwege corruptie heeft eiser niet nader onderbouwd. Verder heeft de minister aan eiser mogen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de aangifte. Enerzijds is verklaard dat de politie de aangifte niet in behandeling wilde nemen vanwege corruptie, anderzijds is verklaard dat de politie de aangifte niet in behandeling kon nemen omdat de andere familie geen aangifte had gedaan. Deze tegenstrijdigheid mocht de minister naar het oordeel van de rechtbank aan eiser tegenwerpen.
De minister is gelet op voorgaande op goede gronden tot de conclusie gekomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen bescherming kan inroepen van de Egyptische autoriteiten tegen de bloedwraak.
Eisers verwijzing naar de zaak van de Nederlandse [naam] en de verwijzing naar de informatie over femicide maken voorgaand oordeel niet anders. Het betreft hier een Nederlandse strafzaak en informatie over femicide in Nederland, waarvan de rechtbank niet inziet op welke manier dit relevant is voor de situatie van eiser in Egypte.
Belangen van het kind
9. Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat de belangen van eiser door de minister onvoldoende indringend getoetst en gewogen zijn. Zonder te weten wat er medisch met eiser aan de hand is, kan niet worden gezegd dat hij kan terugkeren naar Egypte en dat dit in zijn belang is. Eiser stelt dat niet doorslaggevend is of hij hulp kan krijgen in Egypte voor zijn klachten, maar dat het relevant is om de vertrouwensband die eiser op heeft gebouwd met zijn behandelaars te betrekken en wat voor gevolgen dit heeft voor zijn geestestoestand bij staking van de behandeling hier te lande. Nederland is volgens eiser het meest aangewezen land vanwege de behandeling van zijn trauma hier, zijn opgebouwde sociale contacten in Nederland en de omstandigheid dat eiser is in Nederland het gelukkigst is.
De rechtbank oordeelt als volgt. Los van het feit dat de minister er terecht op heeft gewezen dat eiser inmiddels meerderjarig is, heeft de minister in het bestreden besluit de belangen van eiser naar het oordeel van de rechtbank afdoende meegewogen. Zo heeft de minister meegewogen dat eiser voornemens is om in Nederland te worden behandeld voor zijn opgelopen trauma, maar daarbij van belang mogen vinden dat niet is onderbouwd dat eiser voor zijn problemen geen behandeling kan krijgen in Egypte. Verder heeft de minister meegewogen dat eiser nu in Nederland in een stabiele situatie verkeert, waarbij hij naar school gaat, de taal goed beheerst en vrienden heeft gemaakt. De minister heeft daarbij echter een zwaarder belang mogen hechten aan het feit dat de periode dat eiser in Nederland verblijft niet in verhouding staan tot de zestien jaar die hij in Egypte heeft verbleven. Eiser heeft daar een veel langere periode school gevolgd, zijn moedertaal geleerd en een sociaal netwerk opgebouwd. Ook heeft de minister in de beoordeling meegewogen dat eiser stelt dat hij vanwege de dreigende dienstplicht zijn opleiding in Egypte niet kan vervolgen. De minister heeft daarbij echter een zwaarder belang mogen hechten aan de bestaande mogelijkheden om ten behoeve van studie vrijstelling te krijgen voor de militaire dienstplicht.
Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister de belangen van eiser voldoende kenbaar in de beoordeling heeft betrokken. Daarbij acht de rechtbank tevens van belang dat eiser niet heeft onderbouwd welke belangen de minister niet zou hebben getoetst en gewogen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 8 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.