RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29337
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 23 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich, daarnaar gevraagd, akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 29 mei 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Op dezelfde dag heeft verweerder een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek
gesloten op 4 juni 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Poolse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum].
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat de door verweerder aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende toegelicht. Doordat eiser Nederland ongecontroleerd en zonder rechtmatig verblijf is ingereisd, is hij niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen. Hiermee heeft hij zich in Nederland onttrokken aan het toezicht tot aan het moment dat hij is staande gehouden. De zware gronden 3a en 3b zijn hiermee juist. Omdat eiser zijn onrechtmatige verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, is ook de zware grond 3c terecht tegengeworpen. Deze zware gronden kunnen de maatregel van bewaring zelfstandig dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige gronden hoeven daarom niet te worden besproken, omdat dat niet tot een andere uitkomst kan leiden.
4. Ook overigens is niet gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan de maatregel van bewaring op het moment van het opleggen ervan onrechtmatig was.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 9 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.