RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29812
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich, daarnaar gevraagd, akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 1 juni 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Op dezelfde dag heeft verweerder een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek
gesloten op 4 juni 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1995.
2. Eiser voert aan dat hij op een onjuiste grondslag is opgehouden. Hij is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw (identiteit kon niet onmiddellijk worden vastgesteld). De ophouding had op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw moeten zijn. Uit de maatregel volgt dat de autoriteiten van Duitsland al op 13 februari 2026 akkoord waren met de terugname van eiser. Hierdoor stonden zijn identiteit en verblijfsrechtelijke positie vast.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser terecht op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw heeft opgehouden. Eiser is overgenomen en opgehouden aansluitend op een strafrechtelijke heenzending. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 januari 2021volgt dat gegevens over de identiteit van de vreemdeling die in het kader van de strafrechtelijke aanhouding zijn verkregen niet in het (vreemdelingrechtelijk) vervolg als vaststaand hoeven te worden aanvaard. Vastgesteld wordt dat eiser in het strafrechtelijke traject geen officiële identiteitsdocumenten heeft overgelegd. Verder volgt uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek dat verweerder de bagage van eiser heeft doorzocht. Dat er een claimakkoord met Duitsland was voordat eiser werd opgehouden, maakt niet dat zijn identiteit als vaststaand moest worden aangemerkt. Dit maakt dat de grondslag van artikel 50, tweede lid, van de Vw in dit geval de juiste was.
4. Op grond van artikel 5.3, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt de maatregel opgelegd door de ambtenaar bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Vw, die tevens hulpofficier van justitie is, door de ambtenaar van politie met ter zake voldoende kennis en kunde die daartoe is aangewezen door de korpschef, of door de daartoe door de Minister aangewezen ambtenaar van de DT&V of de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
5. Voor zover eiser stelt dat de ondertekenaar van de maatregel geen volmacht heeft tot ondertekening namens verweerder, stelt de rechtbank vast dat deze is opgelegd en ondertekend door de daartoe door de korpschef aangewezen ambtenaar van de politie, zoals bedoeld in artikel 5.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. In dit geval is de maatregel ondertekend door E.R. Martijn als inspecteur van de politie, waarbij is vermeld dat deze ambtenaar door de korpschef is aangewezen. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de ondertekenaar onbevoegd was tot het opleggen van de maatregel van bewaring aan eiser.
6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (de lichte gronden) ook voldoende zijn gemotiveerd. Voor deze gronden geldt dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen.
8. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 9 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.