ECLI:NL:RBDHA:2026:15544

ECLI:NL:RBDHA:2026:15544

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-06-2026
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer NL26.29814
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Eerste beroep bewaring, buiten zitting, artikel 59a Vw, bewaring opgeheven, onjuiste grondslag ophouding, bevoegdheid ondertekenaar maatregel, gronden niet betwist, pkv voor gebrek in het voortraject, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.29814

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 28 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

Eiser heeft zich, daarnaar gevraagd, akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 1 juni 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Tevens op 1 juni heeft verweerder een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek

gesloten op 4 juni 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2000.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. Eiser voert aan dat hij op een onjuiste grondslag is opgehouden. Hij is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw (identiteit kon onmiddellijk worden vastgesteld en gebleken dat de betrokkene geen rechtmatig verblijf had). De ophouding had op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw moeten zijn. Eiser beschikte niet over een geldig identiteitsbewijs. Ook is tijdens zijn ophouding nog nader onderzoek gedaan naar de identiteit van eiser en zijn verblijfsrechtelijke positie. Dit volgt uit de documenten waaruit volgt dat er systemen en registers tijdens de ophouding zijn geraadpleegd.

4. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het procesdossier onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat ten tijde van de ophouding reeds sprake was van een onmiddellijk vastgestelde identiteit en een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Uit het proces-verbaal van de aanhouding volgt dat de personalia van eiser zijn geverifieerd aan de hand van de Basisvoorziening Identiteitsvaststelling via de identiteitszuil. Voor de rechtbank is niet inzichtelijk welke gegevens deze raadpleging heeft opgeleverd. Evenmin blijkt uit het dossier dat uit deze verificatie kon worden afgeleid dat eiser niet rechtmatig in Nederland verbleef. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van ophouding dat verweerder gedurende de ophouding nader onderzoek heeft verricht. Zo is in het proces-verbaal vermeld dat eiser niet in het bezit was van een geldig identiteitsdocument. De bagage van eiser is doorzocht en er zijn een gezichtsopname en vingerafdrukken afgenomen. Uit het rapport HV-23 volgt dat verweerder meerdere systemen en registers heeft bevraagd teneinde de identiteit en verblijfsrechtelijke status van eiser vast te stellen. De hiervoor genoemde onderzoeksactiviteiten wijzen erop dat de benodigde gegevens om een redelijk vermoeden van illegaal verblijf aan te nemen op dat moment nog niet beschikbaar waren. Onder deze omstandigheden had de ophouding dienen plaats te vinden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw.

5. Het ophouden op een onjuiste grondslag maakt de maatregel van bewaring echter pas onrechtmatig als de met de bewaring te dienen belangen niet redelijk in verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank dient daartoe een belangenafweging te verrichten. De belangenafweging valt niet in het voordeel van eiser uit. Er zijn namelijk geen aanknopingspunten dat eiser door de onjuiste wettelijke grondslag in zijn belangen is geschaad. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de met de bewaring gediende belangen zwaarder wegen dan de ernst van het geconstateerde gebrek. Het gebrek leidt daarom niet tot onrechtmatigheid van de maatregel.

6. Op grond van artikel 5.3, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt de maatregel opgelegd door de ambtenaar bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Vw, die tevens hulpofficier van justitie is, door de ambtenaar van politie met ter zake voldoende kennis en kunde die daartoe is aangewezen door de korpschef, of door de daartoe door de Minister aangewezen ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek of de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

7. Voor zover eiser stelt dat de ondertekenaar van de maatregel geen volmacht heeft tot ondertekening namens verweerder, stelt de rechtbank vast dat deze is opgelegd en ondertekend door de daartoe door de korpschef aangewezen ambtenaar van de politie, zoals bedoeld in artikel 5.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. In dit geval is de maatregel ondertekend door G. Bronkhorst als inspecteur van de politie, waarbij is vermeld dat deze ambtenaar door de korpschef is aangewezen. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de ondertekenaar onbevoegd was tot het opleggen van de maatregel van bewaring aan eiser.

8. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

9. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (de lichte gronden) ook voldoende zijn gemotiveerd. Voor deze gronden geldt dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen.

10. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig is geweest.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Als gevolg van het eerder (onder overwegingen 4. en 5.) geconstateerde gebrek in het voortraject ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan op 9 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.J. Govaers

Griffier

  • mr. A.S.J.I. Hendrickx

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand