ECLI:NL:RBDHA:2026:15546

ECLI:NL:RBDHA:2026:15546

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer NL26.27022
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Bewaring ex artikel artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Uitspraak

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:]

(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. De minister heeft op 15 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld op 13 mei 2026. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser en de waarnemer van zijn gemachtigde, mr. I.M. Zuidhoek, zijn verschenen op het Detentiecentrum Rotterdam. Op de rechtbank in Groningen is een tolk verschenen. De minister heeft zich op rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

(lichte gronden) 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.

Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.

Voortraject

3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op

14 april 2025 een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd gekregen. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

5. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De

rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de door de

minister gehandhaafde gronden, in samenhang gezien, de maatregel van bewaring niet

kunnen dragen. De rechtbank stelt daarbij vast dat zware grond 3d niet is aangekruist, maar wel is gemotiveerd in de maatregel. Dat is voldoende; daarmee is ook deze grond aan de maatregel ten grondslag gelegd. Er bestaat dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure zal ontwijken of belemmeren.

Lichter middel

6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de minister gemotiveerd is ingegaan op de psychische en medische omstandigheden van eiser. Niet is gebleken van omstandigheden die maken dat de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend is of dat de minister daarin aanleiding had moeten zien om een lichter middel dan bewaring toe te passen. Eiser is door de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen het Detentiecentrum Rotterdam een medische dienst aanwezig is, die beoordeelt in hoeverre eiser medische zorg nodig heeft en deze zorg waarborgt. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.

Voortvarendheid

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de zesde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 20 april 2026, een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast is op 20 mei 2026 een vertrekgesprek gevoerd. Verder heeft de minister op de zitting toegelicht dat op 15 april 2026 en 23 april 2026 is gerappelleerd op de lp-aanvraag die sinds 4 september 2025 bij de Gambiaanse autoriteiten loopt. Ook heeft de minister toegelicht dat intern nog is gevraagd bij DIA wanneer een presentatie kan plaatsvinden. DIA heeft aangegeven te hopen dat de presentatie half juni 2026 kan plaatsvinden, maar daarbij afhankelijk te zijn van de Gambiaanse autoriteiten. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.

Zicht op uitzetting

8. De rechtbank is van oordeel dat er in zijn algemeenheid zicht op uitzetting naar Gambia binnen een redelijke termijn bestaat. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2023. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat de situatie veranderd is. Ook bestaat geen grond voor het oordeel dat in het specifieke geval van eiser het zicht op uitzetting naar Gambia ontbreekt. Niet is gebleken dat de Gambiaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Dat eiser niet meewerkt en weigert terug te keren, rechtvaardigt niet de conclusie dat geen perspectief op uitzetting meer bestaat. De minister heeft op de zitting gewezen op een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats, waaruit volgt dat een aanvraag tot afgifte van een lp ook na weigering van medewerking aan presentaties door een vreemdeling in behandeling blijft. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat dit in het geval van eiser anders is.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen de uitvoering van het terugkeerbesluit of dat deze belangen en dit beginsel een nadere beoordeling behoeven. De rechtbank betrekt hierbij dat wat eiser heeft aangevoerd al is betrokken bij de besluiten van de minister van 14 april 2025 en 4 februari 2026, en bij de uitspraken van deze rechtbank van 19 december 2025 en 14 april 2026 in de daartegen ingestelde beroepen. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat sindsdien sprake is van een gewijzigde situatie ten aanzien van deze belangen en dit beginsel. De rechtbank stelt verder vast dat eiser in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit.

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H. Hanssen - Telman

Griffier

  • mr. S. Strating

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand