RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.687
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G. Ocak),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R. van Dooren).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Arrest C.K.
Arrest Tarakhel
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Roemenië een verzoek om overname gedaan. Roemenië heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Roemenië. Hiertoe voert eiser aan dat Dublinterugkeerders structurele problemen ondervinden in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Roemenië. Asielaanvragen worden stilzwijgend ingetrokken waardoor asielzoekers gedwongen zijn om een herhaalde asielaanvraag in te dienen. Hierdoor ontstaat een verhoogd risico op verlies van de toegang tot opvang en zorg. Er is een gebrek aan medisch personeel en goede tolkenondersteuning in de zorg. Verder worden in de opvang veel hygiëneproblemen ervaren en is er onvoldoende toegang tot medische en sanitaire voorzieningen voor personen met een beperking, zoals eiser. Eiser verwijst hierbij naar het AIDA-rapport, update 2024.
6. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Roemenië bevestigd in de uitspraken van 17 juli 20242 en 22 juli 20243. Dit betekent dat de minister in beginsel ervanuit mag gaan dat Roemenië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Roemenië niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Roemenië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Roemeense autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Roemenië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Roemenië. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).
7. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Daarbij heeft de Afdeling het AIDA-rapport, update 2022, betrokken. Het door eiser aangehaalde AIDA-rapport, update 2024, heeft de Afdeling niet betrokken, maar eiser heeft niet gesteld dat dit AIDA-rapport een wezenlijk ander beeld laat zien dan het AIDA-rapport, update 2022. Verder hebben de Roemeense autoriteiten middels het claimakkoord gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming van eiser in behandeling te nemen. Daarmee garanderen de Roemeense autoriteiten ook dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Als eiser toch problemen ondervindt, mag van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Roemeense autoriteiten. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser de kwaliteit van de opvang niet zelf heeft ervaren, nu hij niet in Roemenië is geweest. Er is niet gebleken dat klagen bij de Roemeense autoriteiten voor eiser niet mogelijk zal zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
2 ECLI:NL:RVS:2024:2938.
3 ECLI:NL:RVS:2024:2970.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
8. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Eiser heeft als gevolg van een bomaanslag in Jemen een dwarslaesie opgelopen. Hij zit nu rolstoel omdat hij half verlamd is geraakt. Sinds eisers verblijf in Nederland is zijn situatie verslechterd. Hij is incontinent en heeft een operatieve ingreep moeten ondergaan om elders in zijn lichaam een alternatieve urine afvoeropening aan te leggen. Eisers medische situatie vereist voortdurende medische behandeling, dagelijkse zorg en aangepaste huisvesting. Dit alles samen gezien met de structurele tekortkomingen in Roemenië leidt tot onevenredige hardheid.
9. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Roemenië onevenredig hard is. De minister heeft de medische omstandigheden van eiser voldoende meegewogen en voldoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding zag om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo. Voor zover eiser betoogt dat de omstandigheden die zijn aangevoerd over structurele tekortkomingen in Roemenië ook moeten worden meegenomen in de motivering of artikel 17, eerste lid, van de Dvo moet worden toegepast, wijst de rechtbank op recente rechtspraak van de Afdeling4. Daarin is geoordeeld dat als de minister de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Eiser doet een beroep op het arrest C.K.5. Eiser kampt met een fysieke beperking, zoals benoemd onder rechtsoverweging 8, waardoor overdracht een ernstig en onomkeerbaar risico voor zijn gezondheid zou opleveren. Eiser ontvangt dagelijks zorg, mede om zo infecties te voorkomen. Het onderbreken van de huidige, dagelijkse zorg zal leiden tot een ontregeling en verergering van zijn situatie. Het had op de weg van de minister gelegen om een BMA-advies aan te vragen. In dit verband verwijst eiser naar zijn medisch dossier.
12. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Indien eiser deze gegevens heeft overgelegd, dient de minister het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA, zo volgt uit Werkinstructie 2021/3.
4 Zie de uitspraak van 25 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:717).
5 ECLI:EU:C:2017:127.
13. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Eiser heeft weliswaar een fysieke beperking en is volledig afhankelijk van zorg en hulpmiddelen, maar uit de (medische) stukken blijkt niet dat de overdracht zelf tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zou leiden. Dat eiser, zoals op de zitting is aangevoerd, bedlegerig is en sprake is van infectiegevaar, is daarvoor onvoldoende. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten dat de minister gehouden was een BMA-advies aan te vragen. Daarbij volgt uit artikel 32 van de Dvo dat de minister, met toestemming van eiser, zijn medische gegevens kan delen met Roemenië, zodat zij hiervan op de hoogte zijn op het moment dat eiser wordt overgedragen. De beroepsgrond slaagt niet.
14. Eiser stelt dat hij vanwege zijn medische situatie als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel6 moet worden aangemerkt. Hiertoe voert eiser aan dat hij verlamd en incontinent is, waardoor hij in een rolstoel zit en dagelijks zorg ontvangt. De minister kan hier niet volstaan met een verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
15. De rechtbank overweegt het volgende. In het arrest Tarakhel heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen.2 In dit arrest ging het om een echtpaar met zes jonge kinderen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 20157 volgt dat het arrest Tarakhel ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdelingen ook van belang kunnen zijn. De bewijslast dat er sprake is van de betreffende bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling.8
16. De rechtbank stelt voorop dat de minister ter zitting heeft erkend dat eiser als bijzonder kwetsbaar moet worden gezien. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij zonder aanvullende garanties geen afdoende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen in Roemenië. Uit het AIDA-rapport, update 2024, pagina 131 blijkt dat kwetsbare vreemdelingen, waaronder gehandicapten, voorrang krijgen in Roemenië. Er worden geen obstakels geconstateerd in de toegang tot de medische voorzieningen. Op pagina 133 staat beschreven dat Roemenië maatregelen heeft getroffen naar aanleiding van klachten van rolstoelgebruikers. Zo zijn er bijvoorbeeld rolstoelvriendelijke hellingen in alle opvangcentra geplaatst, waaruit volgt dat Roemenië niet onwelwillend is. Uit de door eiser overgelegde medische stukken blijkt dat hij dagelijks zorg krijgt en dat sprake is van ernstige medische klachten, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zonder garanties niet de benodigde zorg- en opvangvoorzieningen in Roemenië zal krijgen. De minister was daarom niet gehouden aanvullende garanties aan Roemenië te vragen. De beroepsgrond slaagt niet.
6 Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12,ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
7 ECLI:NL:RVS:2015:3806.
8 ECLI:NL:RVS:2020:223.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 januari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.