RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.28669
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
Procesverloop
Bij besluit van 20 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen G.L. Rivas. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep vervolgens geschorst in afwachting van duidelijkheid over de gang van zaken met betrekking tot de medicatie van eiser. Verweerder heeft op 3 juni 2026 een bericht aan het dossier toegevoegd. Eiser heeft hier op dezelfde dag op gereageerd. De rechtbank heeft, met toestemming van partijen, het onderzoek op 4 juni 2026 zonder nadere zitting gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Roemeense nationaliteit te hebben en te zijn geboren op
[geboortedag] 1983.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft de gronden niet betwist.
Eiser voert aan dat er onvoldoende voortvarend is gehandeld. Eiser is op
20 mei 2026 in bewaring gesteld. Op 1 juni 2026 is een vlucht aangevraagd. Volgens eiser is dit onvoldoende voortvarend, omdat hij een Unieburger is. Dan kan een uitzetting vrij snel plaatsvinden, aldus eiser.
Eiser is op 20 mei 2026 in bewaring gesteld. Op 22 mei 2026 is de zaaksofficier gevraagd om in te stemmen met de voorgenomen uitzetting. De rechtbank stelt verder vast dat op 26 mei 2026 een vertrekgesprek is gehouden. Een dag later heeft de ambassade van Roemenië laten weten een reisdocument te verschaffen aan eiser. Vijf dagen later, op
1 juni 2026, heeft verweerder een vlucht aangevraagd. De rechtbank acht dit voldoende voortvarend. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Verder voert eiser aan dat er geen sprake is van zicht op uitzetting. De zaaksofficier van het OM is gevraagd om goedkeuring voor de uitzetting. In het dossier is geen reactie op dit verzoek opgenomen. Als er geen reactie is, is er volgens eiser ook geen zicht op uitzetting. Ook betoogt eiser dat hij mogelijk feitelijk niet kan worden uitgezet vanwege zijn medische problematiek.
Op 22 mei 2026 is aan het OM een verzoek gestuurd om in te stemmen met de voorgenomen uitzetting. Verweerder heeft tijdens de zitting de reactie van het OM van
22 mei 2026 aan het dossier toegevoegd. Het OM heeft te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen uitzetting. Het zicht op uitzetting ontbreekt dan ook niet. Overigens, ook als de reactie niet aan het dossier was toegevoegd, zou sprake zijn geweest van zicht op uitzetting. Zoals verweerder terecht heeft aangevoerd, wordt de toestemming ook verondersteld te zijn gegeven als geen reactie op het verzoek komt.
Voor zover eiser betoogt dat de inbewaringstelling onrechtmatig is omdat hij vanwege zijn medische problematiek feitelijk niet kan worden uitgezet, volgt de rechtbank dat betoog ook niet. Als eiser meent dat hij daarom niet kan worden uitgezet kan hij opkomen tegen de feitelijke uitzetting. Dat eiser niet zou kunnen worden uitgezet vanwege zijn medische problematiek is in deze procedure niet gebleken. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Ten slotte voert eiser aan dat ten onrechte geen lichter middel is opgelegd en dat de maatregel onevenredig bezwarend is, vanwege zijn medische klachten. Sinds de inbewaringstelling heeft eiser geen medicatie gekregen voor zijn hiv of aids. Hierdoor is volgens eiser in strijd gehandeld met de artikelen 3 en 8 van het EVRM. Eiser schrijft in zijn aanvullende gronden van 3 juni 2026 dat verweerder te laat en onvoldoende voortvarend onderzoek heeft gedaan naar eisers medicatie en medische overdracht aan Roemenië.
De rechtbank ziet, ook op zitting, eisers belang bij het krijgen van zijn hiv/aids-medicatie. Dat hij op de dag van de zitting al sinds de start van de bewaring geen medicatie heeft gehad, is lang. De rechtbank heeft de zaak daarom ook geschorst, omdat onduidelijk was wat er was gebeurd met betrekking tot de medische dienst en de regievoerder. Op grond van de nader verstrekte inlichtingen van verweerder is de rechtbank echter van oordeel dat de maatregel niet om die reden opgeheven moet worden. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij tot dat oordeel komt.
Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verweerder gevraagd naar de gezondheidstoestand van eiser en zijn medische behandeling. Eiser heeft aangegeven ziek te zijn, hartproblemen te hebben en besmet te zijn met aids. Eiser heeft verklaard dat hij voor zijn aanhouding medicatie heeft gekregen bij de GGD en dat hij in het cellencomplex waar hij verbleef na zijn aanhouding niet is bezocht door een arts. De verbalisant heeft in het verslag van het gehoor hierbij de opmerking geplaatst dat eiser oorspronkelijk op de verpleegkundige lijst stond, maar dat hij geen medewerking wilde verlenen en daarom van de lijst is gehaald. Verder heeft de verbalisant verteld aan eiser dat hij bezocht zou gaan worden door een GGD-arts. Ook is opgenomen in het verslag van het gehoor dat de verbalisant twijfelde om eiser in bewaring te stellen. Eiser is daarom bezocht door een arts. Zij heeft methadon verstrekt. De arts kon geen informatie terugvinden over de aids-medicatie, maar dat zou worden opgevolgd op 21 mei 2026. Omdat er geen bezwaren zijn tegen insluiting, heeft de verbalisant eiser meegedeeld dat hij hem in vreemdelingenbewaring zal stellen.
In het verslag van het vertrekgesprek van 26 mei 2026 staat dat de regievoerder namens eiser een e-mail zal sturen aan de medische dienst met daarin zijn zorgen over zijn gezondheid. Hoewel verweerder geen informatie heeft gegeven over de vraag of de regievoerder inderdaad die e-mail heeft verstuurd, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet dat de bewaring onevenredig bezwarend is en om die reden zou moeten worden opgeheven. Uit de nu beschikbare informatie blijkt namelijk dat op 21 mei 2026 een medische intake heeft plaatsgevonden. Hierbij is gebleken dat eiser niet beschikte over een recept of medicatie ter verificatie van de door hem genoemde behandeling en voorgeschreven medicijnen. Eiser heeft verklaard onder behandeling te staan bij het OLVG Amsterdam Oost en de GGD in Amsterdam. Op 21 mei 2026 zijn bij deze instellingen de medische gegevens en de gegevens van de voorgeschreven medicatie opgevraagd. Uit het medische dossier volgt verder dat de arts op 23 mei 2026 nog in afwachting was van de medische gegevens. Op 29 mei 2026 heeft de GGD in Amsterdam laten weten niet bekend te zijn met eiser. Op het verzoek om gegevens is bij het OLVG gerappelleerd. Op 3 juni 2026 heeft het OLVG het medisch dossier opgestuurd, waarna de medicatie kon worden verstrekt. Hoewel eiser dus langere tijd geen medicatie heeft kunnen ontvangen, acht de rechtbank de uitleg van verweerder hierover voldoende.
Gelet op het voorgaande, volgt de rechtbank eiser ook niet in zijn standpunt dat er in strijd is gehandeld met de artikelen 3 en 8 van het EVRM. Eiser heeft dit verder niet onderbouwd. De rechtbank stelt ook vast dat op 4 juni 2026 een bloedonderzoek gepland stond en een medische escort mee zal reizen met de uitzetting van eiser. De rechtbank concludeert dat niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is of dat de maatregel onevenredig bezwarend is.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.