de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. R. Helmus).
Inleiding
Eiser heeft op 27 januari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 10 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
De rechtbank ziet zich in het kader van de ontvankelijkheid van het beroep ambtshalve gesteld voor de vraag of eiser nog procesbelang heeft. Eiser was niet aanwezig bij de behandeling van zijn beroep en bij aanvang van de zitting heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat hij geen contact meer heeft met eiser en niet weet waar eiser momenteel verblijft. Het contact met eiser is volgens de gemachtigde sinds de opheffing van de bewaringsmaatregel van eiser verbroken. De minister heeft daarop ter zitting het standpunt ingenomen dat het procesbelang ontbreekt, nu niet is gebleken dat eiser nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde en eiser bovendien niet ter zitting is verschenen.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep en overweegt daartoe het volgende. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van uit worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als uit recente informatie van zijn of haar gemachtigde volgt dat er nog contact wordt onderhouden met de vreemdeling over de procedure.
Nu niet is gebleken van recent contact tussen eiser en zijn gemachtigde, eiser niet bij de behandeling van het beroep op de zitting is verschenen en de minister niet heeft laten weten waar hij verblijft, komt de rechtbank tot het oordeel dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de in Nederland gezochte bescherming. Gelet hierop heeft eiser geen belang bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep en zal de rechtbank eiser in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk.
4. Nu het beroep van eiser niet-ontvankelijk is, bestaat er geen aanleiding om het verzoek tot een voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
5. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.7481:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.7482:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het betreft de uitspraak op het beroep, hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.