[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1999, van Algerijnse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
Inleiding
1. Bij besluit van 17 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister eisers aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft de zaken op 20 april 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig maar niet gevoegd met NL25.57041 en NL25.57042. Hieraan hebben eiser, mw. H. Ball-Ponne als tolk in de Arabisch-Algerijnse taal en mr. S. Deniz als de gemachtigde van de minister deelgenomen. De toenmalig gemachtigde van eiser heeft zich voorafgaand aan de zitting als gemachtigde onttrokken en was niet bij de zitting aanwezig.
In de zaken NL25.57041 en NL25.57042 heeft de rechtbank op 20 april 2026 uitspraak gedaan. Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. De rechtbank heeft onderhavige zaken op de zitting aangehouden zodat eiser een nieuwe gemachtigde kon zoeken. Vervolgens zijn de zaken op 3 juni 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, mw. H. Ball-Ponne als tolk in de Arabisch-Algerijnse taal en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
2. Dit is de vierde asielaanvraag van eiser
Eiser heeft voor het eerst een asielvraag gedaan in 2019. Op enig moment daarna is eiser met onbekende bestemming vertrokken, onder andere naar Zwitserland.
In 2020 heeft eiser zich opnieuw gemeld voor een tweede asielaanvraag, welke als kennelijk ongegrond is afgewezen. Het beroep hiertegen is niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser is daarna onder meer in Duitsland, Zweden, Finland en Zwitserland geweest.
Op 6 augustus 2025 heeft eiser in Zweden asiel aangevraagd. De Zweedse autoriteiten hebben aan Nederland gevraagd om eiser terug te nemen, dit is geaccepteerd. Eiser is vervolgens op 9 oktober 2025 aan Nederland overgedragen.
Diezelfde dag heeft eiser nogmaals (voor de derde keer) in Nederland een asielaanvraag ingediend en heeft hij daaraan voor het eerst ten grondslag gelegd dat hij biseksueel is. Op 13 november 2025 is deze aanvraag afgewezen. Hiertegen is eiser in beroep gegaan. Op 8 december 2025 heeft eiser een vertrekverklaring van de IOM ingevuld. In die verklaring staat dat hij op die dag vrijwillig zal vertrekken naar Algerije. De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen (zie hiervoor onder 1.3).
Vervolgens is eiser niet teruggekeerd naar zijn land van herkomst, maar is hij het vliegtuig uitgelopen. Eiser heeft op de luchthaven wederom asiel aangevraagd. Dit is de aanvraag waar het in deze procedure over gaat. Hij heeft verklaard dat hij niet terug kan keren naar Algerije vanwege zijn seksuele gerichtheid, zijn biseksualiteit, en de problemen die zijn ontstaan met de Algerijnse autoriteiten doordat zijn broer aan hen heeft gemeld dat eiser biseksueel is.
Besluitvorming
3. De minister heeft eisers asielaanvraag op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd. Eiser heeft namelijk hetzelfde asielmotief aangevoerd als bij de voorgaande asielprocedure. Dit is eerder ongeloofwaardig geacht en staat in rechte vast. Verder heeft eiser geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd. Er is wel een nieuwe omstandigheid, namelijk dat eiser heeft verklaard dat zijn broer zijn seksuele gerichtheid heeft doorgegeven aan de overheid, maar deze wordt door de minister niet gezien als relevant voor de beoordeling van de asielaanvraag omdat deze voortborduurt op problemen die tijdens de vorige asielprocedure zijn behandeld en omdat eisers broer ook in de vorige procedure al een directe dreiging was. Bovendien heeft eiser dit nieuws van zijn moeder gehoord en heeft hij zijn broer niet direct gesproken. Ook heeft hij dit nieuwe element niet direct kenbaar gemaakt bij zijn advocaat of tijdens de vertrekprocedure. Hij heeft daarentegen na het horen van dit bericht getekend voor het stopzetten van zijn asielprocedure. Ook heeft de minister eisers verklaringen bezien in het licht van zijn eerdere verklaringen in de vorige asielprocedure. Toen heeft hij verklaard dat hij geen contact meer met zijn familie had. De minister ziet in dat licht niet in dat eiser zijn familie op de hoogte brengt van zijn terugkeer. Ook ziet de minister niet in dat eisers broer, die hem in 2018 al persoonlijk zou hebben bedreigd, hem pas recentelijk bij de autoriteiten zou hebben aangegeven. Eisers verklaringen over bovenstaande omstandigheden worden door de minister niet gevolgd. Tot slot werpt de minister eiser tegen dat hij geen aannemelijke verklaring heeft gegeven op de vraag waarom hij tekent voor zijn terugkeer naar Algerije nadat hij telefonisch van zijn moeder over de dreigementen van zijn broer heeft gehoord.
Standpunt eiser
4. Eiser voert in beroep onder andere aan dat de minister de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De minister had inhoudelijk in moeten gaan op de nieuwe feiten die eiser heeft aangevoerd. Door de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren, wordt aan een inhoudelijke beoordeling niet toegekomen en is dus ook het risico op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Algerije niet beoordeeld. Bovendien is eiser recent gepresenteerd bij de autoriteiten van Algerije, dat is in strijd met jurisprudentie van de Afdeling en levert mogelijk ook een risico op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM op.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan hij geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de stelling van eiser dat zijn broer de autoriteiten heeft geïnformeerd over zijn, eisers, seksuele gerichtheid, geen relevant element is. De motivering van de minister berust in belangrijke mate op een verwijzing naar de vorige asielprocedure, waarin in rechte is komen vast te staan dat eisers biseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is. Dat doet er echter niet aan af dat een melding aan de autoriteiten ook kan leiden tot vervolging wegens toegedichte seksuele gerichtheid. Dan is een verklaring over een dergelijke melding dus wel degelijk een relevant nieuw feit. De verdere motivering van de minister komt in feite neer op een beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over die melding door zijn broer. Dat is een inhoudelijke beoordeling. Uit de werkinstructie van de minister ten aanzien van opvolgende asielaanvragen volgt dat de aanvraag pas inhoudelijk wordt beoordeeld als niet tot niet-ontvankelijkheid kan worden geconcludeerd. Uit de eigen (inhoudelijke) beoordeling van de minister volgt al dat het stadium van niet-ontvankelijkverklaring al gepasseerd was. De beroepsgrond slaagt.
Het beroep is gegrond. Het besluit is genomen in strijd met artikel 30a van de Vw. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser.
6. Daarbij moet de minister ook rekening houden met het volgende.
Op de zitting is gebleken dat de minister eiser recent heeft willen presenteren aan de autoriteiten van Algerije. Dat is in strijd met de Afdelingsuitspraak van 19 november 2025. Daarin heeft de Afdeling immers geoordeeld dat presentatie in persoon hangende beroep in strijd is met het arrest Gnandi. Tijdens de zitting is echter gebleken dat eiser niet heeft meegewerkt aan de presentatie en hij dus schriftelijk is gepresenteerd. Uit een andere Afdelingsuitspraak van 19 november 2025 blijkt dat het wel is toegestaan om hangende beroep in het kader van een aanvraag om een laissez-passer (lp) persoonsgegevens te verstrekken aan de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst, zoals de voor- en achternaam, de geboortedatum en -plaats van de vreemdeling en zijn ouders. Voorwaarde daarvoor is wel dat de minister daarbij zorgvuldig te werk gaat en een vreemdeling en zijn gemachtigde hangende beroep zo veel mogelijk betrekt bij de lp-procedure. Een vreemdeling en zijn gemachtigde kunnen daarmee van tevoren controleren welke gegevens gedeeld worden met de autoriteiten. Hiermee kan worden gewaarborgd dat de minister geen persoonsgegevens verstrekt die asielgerelateerd zijn of anderszins een schadelijke strekking hebben. De rechtbank is van oordeel dat dit oordeel over een lp-aanvraag ook van toepassing is op het schriftelijk presenteren bij de autoriteiten. Uit het dossier blijkt niet welke gegevens aan de Algerijnse autoriteiten zijn verstrekt en of eiser en zijn gemachtigde van tevoren hebben kunnen controleren of geen asielgerelateerde gegevens zijn verstrekt. De rechtbank kan dus niet beoordelen welke gevolgen de presentatie heeft voor de beoordeling van de asielaanvraag. De minister zal dit bij het nieuw te nemen besluit moeten onderzoeken.
De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
7. Zoal de rechtbank in 5.2 heeft overwogen, moet de minister moet opnieuw beslissen op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
8. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9. Nu het beroep gegrond is, zal de rechtbank de minister veroordelen in de door eiser gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting van 3 juni 2026).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.62547:
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.62548:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. B. Kingma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.