ECLI:NL:RBDHA:2026:15565

ECLI:NL:RBDHA:2026:15565

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-06-2026
Datum publicatie 10-06-2026
Zaaknummer NL26.15050 en NL26.15051
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

‘Asiel Ethiopië. Dublin Polen. Persoonlijk onderhoud tijdig. Interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Niet deugdelijk gemotiveerd dat overdracht aan Polen niet getuigt van onevenredige hardheid. Beroep gegrond.’

Uitspraak

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 2001, van Ethiopische nationaliteit, eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

(gemachtigde: mr. L.M. Straver),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. T. Pourjalili).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiseres tegen het besluit van 17 maart 2026, waarin de minister de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling heeft genomen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Ook beoordeelt de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening, dat ertoe strekt om de minister te verbieden eiseres over te dragen aan Polen en alle rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten tot één week nadat op het beroep is beslist.

De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M. Ogbamichael als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiseres buiten behandeling heeft mogen stellen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Besluitvorming

4. Eiseres heeft op 18 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend. De minister heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiseres heeft eerder in Polen een asielaanvraag ingediend. De minister heeft daarom de autoriteiten van Polen verzocht om eiseres terug te nemen. De autoriteiten van Polen zijn hiermee akkoord gegaan.

Persoonlijk onderhoud

5. Eiseres voert ten eerste aan dat het persoonlijk onderhoud zo snel mogelijk, en voordat de minister het verzoek tot terugname aan Polen verstuurde, had moeten plaatsvinden. Eiseres verwijst daartoe naar artikel 3.109c, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, de preambule en artikel 5 van de Dublinverordening, de uitleg van het Hof van Justitie van de Europese Unie over die bepalingen in het arrest van 30 november 2023 in de zaak CZA en de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024. Voorts verwijst eiseres naar een rapport van de Nationale Ombudsman. De vreemdeling in die zaak had geklaagd over de vermoedelijk vaste werkwijze van de minister om een terugnameverzoek in te dienen terwijl de vreemdeling nog niet was gehoord en de minister dus per definitie de aangezochte lidstaat niet volledig kon informeren. De Nationale ombudsman oordeelde dat de gedraging niet behoorlijk was. Het vereiste van een goede voorbereiding houdt in dat de overheid alle informatie verzamelt die van belang is om een weloverwogen beslissing te nemen. De overheid moet voorafgaande aan het indienen van een Dublinclaim actief zoveel mogelijk informatie verwerven bij de vreemdeling. De ambtsvoorganger van de minister had bij de Nationale ombudsman aangegeven dat de werkwijze inmiddels was veranderd en dat in principe de vreemdeling nu voordat een claim wordt neergelegd, wordt gehoord. Thans blijkt echter in de uitvoeringspraktijk van de minister dat er standaard ná het versturen van de Dublinclaim en zelfs het Dublinakkoord wordt gehoord. Het besluit is in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

6. De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen waar eiseres naar verwijst, niet volgt dat het persoonlijk onderhoud moet plaatsvinden voordat de minister een verzoek tot terugname doet. Wel volgt daaruit dat de minister alle relevante informatie moet hebben verzameld voordat hij een overdrachtsbesluit neemt. Het persoonlijk onderhoud moet daarom plaatsvinden voordat de minister een overdrachtsbesluit neemt. Dat is in het geval van eiseres ook gebeurd. Bovendien heeft eiseres niet onderbouwd dat er omstandigheden uit het gehoor zijn gebleken die de minister niet heeft meegenomen in de besluitvorming. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het persoonlijk onderhoud tijdig heeft plaatsgevonden.

De beroepsgrond slaagt niet.

Interstatelijk vertrouwen

7. Eiseres voert verder aan dat er in Polen sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure die dermate zwaarwegend zijn, dat overdracht aan Polen leidt tot schending van de artikelen 3 en 13 van het EVRM en de artikelen 4 en 47 van het Handvest. Eiseres had in de zienswijze aangevoerd dat de minister zonder nader onderzoek niet uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen, omdat uit het arrest van de Grote kamer van het Hof van Justitie van 18 december 2025 volgt dat Polen verschillende beginselen en verplichtingen van de Europese Unie niet heeft nagekomen waardoor er geen sprake is van onafhankelijke rechtspraak. In de bestreden beschikking wordt niet voldoende deugdelijk op dit betoog ingegaan doordat de minister slechts verwijst naar oudere uitspraken van de Afdeling waarin deze specifieke kwestie en deze uitspraak van het Hof van Justitie niet is betrokken bij de beoordeling van het hoger beroep. Het besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

Ook voert eiseres aan dat zij volgens de Poolse autoriteiten haar asielaanvraag heeft ingetrokken. Dit betekent dat zij na overdracht aan Polen een tweede asielaanvraag zou moeten indienen die niet-ontvankelijk zal worden verklaard omdat er geen nieuwe feiten zijn. De Poolse autoriteiten zullen daarom niet beoordelen of er sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM bij uitzetting naar Ethiopië. Dit is ook in de eerste asielprocedure niet gedaan. Dit zijn systeemfouten in de asielprocedure die maken dat niet langer, althans niet zonder nader onderzoek, van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen kan worden uitgegaan. Ter onderbouwing van deze beroepsgrond verwijst eiseres naar het AIDA rapport over Polen van juli 2025.

8. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de minister voor Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Ten eerste heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de rechterlijke macht in Polen in asielzaken niet onafhankelijk is. In het arrest van 18 december 2025 dat eiseres heeft aangehaald, heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het Poolse Constitutionele Hof verschillende fundamentele beginselen van het recht van de Europese Unie heeft geschonden. Het Hof van Justitie heeft ook geoordeeld dat het Poolse Constitutionele Hof geen onafhankelijk en onpartijdig gerechtshof vormt, wegens ernstige onregelmatigheden die de benoeming van drie van zijn rechters en van zijn president aantasten. Eiseres heeft niet toegelicht hoe hieruit blijkt dat de gehele rechterlijke procedure in asielzaken in Polen niet onafhankelijk verloopt. De minister heeft dan ook kunnen verwijzen naar de uitspraak van 4 september 2024 waarin de Afdeling heeft overwogen dat niet is gebleken dat de rechterlijke macht in Polen in asielzaken niet onafhankelijk is.

Verder overweegt de rechtbank dat uit het AIDA-rapport over Polen waarnaar eiseres verwijst, volgt dat een asielaanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard als de verzoeker na een finaal besluit een herhaalde aanvraag doet op grond van dezelfde omstandigheden. Eiseres heeft haar aanvraag volgens de Poolse autoriteiten ingetrokken. De Poolse autoriteiten hebben het claimverzoek immers geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van de Dublinverordening. Dit betekent dat haar aanvraag nog in behandeling was en dat hierop nog geen besluit was genomen. Gelet op het bepaalde in artikel 18, tweede lid, van de Dublinverordening, is Polen gehouden ervoor te zorgen dat eiseres gerechtigd is te verzoeken dat de behandeling van haar verzoek wordt afgerond, of een nieuw verzoek om internationale bescherming in te dienen dat niet wordt behandeld als een volgend verzoek als bedoeld in Richtlijn 2013/32/EU. In dergelijke gevallen zorgen de lidstaten ervoor dat de behandeling van het verzoek wordt afgerond. Het is dan ook niet aannemelijk dat eiseres in Polen nieuwe feiten en omstandigheden zal hoeven aan te voeren om tot een ontvankelijke aanvraag te komen.

De beroepsgrond slaagt niet.

Onevenredige hardheid

9. Tot slot voert eiseres aan dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld, althans niet deugdelijk heeft gemotiveerd, dat overdracht aan Polen niet van onevenredige hardheid zal getuigen. Eiseres heeft betoogd dat zij meerdere keren onmenselijk is behandeld waardoor zij verschillende klachten heeft gekregen zoals slapeloosheid en gevoelens van depressiviteit. Een overdracht aan Polen zal voor haar zeer stressvol zijn waardoor zij helemaal op zal zijn. Een verergering van de klachten en mogelijke retraumatisering vallen niet onder de omstandigheden die bij de vraag omtrent het interstatelijk vertrouwen spelen, maar juist bij de vraag of een overdracht van onevenredige hardheid zal getuigen. Eiseres stond op de wachtlijst voor een afspraak bij de POH-GGZ. Zij heeft nu een afspraak vlak vóór haar verhuizing uit Biddinghuizen gehad. Uit de medische informatie die is overgelegd blijkt dat eiseres erg angstig is in het donker en dat ze niet in de buurt van mannen wil zijn, anders krijgt ze last van paniek en herbelevingen. Het bestreden besluit is ook op dit punt in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

10. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de minister dat overdracht aan Polen niet getuigt van onevenredige hardheid, niet deugdelijk is gemotiveerd. Uit de verklaringen van eiseres op de zitting en uit het GZA-rapport dat eiseres heeft overgelegd, blijkt dat zij onder andere in Polen traumatische ervaringen heeft gehad. Zij heeft twee keer een pushback meegemaakt waarbij zij is mishandeld, geslagen, vastgehouden en met pepperspray is bespoten. Mede hierdoor heeft eiseres nu psychische problemen. Zij heeft vermoedelijk traumatherapie nodig. De minister heeft weliswaar, in het kader van het interstatelijk vertrouwen, gesteld dat de medische problemen van eiseres ook in Polen behandeld kunnen worden en dat niet aannemelijk is dat eiseres in Polen weer met pushbacks te maken zal krijgen, maar de minister heeft niet onderkend dat het aannemelijk is dat er een verband bestaat tussen de ervaringen van eiseres in Polen en haar psychische problemen. De minister heeft dan ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij in die omstandigheid geen aanleiding ziet om van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik te maken.

De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, neergelegd in artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen, omdat het aan de minister is om opnieuw te beoordelen of hij aanleiding ziet om van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik te maken.

12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

13. Nu het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.

14. Omdat het beroep gegrond is moet de minister de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.15050:

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.15051:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank, in beide zaken:

- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand