ECLI:NL:RBDHA:2026:15566

ECLI:NL:RBDHA:2026:15566

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-06-2026
Datum publicatie 10-06-2026
Zaaknummer NL26.19257
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Vereenvoudigde behandeling
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Dublin, Duitsland, 8:54 Awb, interstatelijk vertrouwensbeginsel, rechtsbijstand, artikel 17 Dublinverordening, refoulement, beroep kennelijk ongegrond.

Uitspraak

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,

van Guinese nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.

Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.19258. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.

3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 16 februari 2026 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 17 februari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.

5. De rechtbank overweegt dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit is alleen anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. In de uitspraken van 4 september 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

De rechtbank stelt voorop dat volgens rechtspraak van de Afdeling ten aanzien van Duitsland nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen in dat kader.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten op het gebied van opvang, zorg of rechtsbijstand een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van EVRM of artikel 4 van het Handvest. Dat eiser in Duitsland een asielprocedure heeft doorlopen waarbij zijn asielaanvraag is afgewezen en hij daarom vreest te worden teruggestuurd naar Guinee, maakt dat oordeel niet anders. Het is in het algemeen zo dat een asielzoeker na een afwijzing van de asielaanvraag het desbetreffende land moet verlaten. Als eiser meent dat hij toch recht heeft op een asielvergunning, dan kan hij in Duitsland opnieuw een asielaanvraag indienen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk is. Verder heeft eiser zijn beroepsgrond dat Duitsland zich niet houdt aan de internationale verplichtingen niet met (algemene) landeninformatie onderbouwd. Eisers betoog dat hij in Duitsland geen advocaat toegewezen heeft gekregen, heeft hij niet verder toegelicht en geconcretiseerd. Daar komt bij dat uit de Procedurerichtlijn volgt dat rechtsbijstand niet altijd en in alle gevallen kosteloos verstrekt hoeft te worden. De Duitse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen. Mocht eiser toch problemen ervaren met de asielprocedure, opvangvoorzieningen en/of rechtsbijstand, dan ligt het op zijn weg om daarvoor de autoriteiten van Duitsland te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Duitse autoriteiten voor eiser niet mogelijk zal zijn.

Artikel 17 van de Dublinverordening

6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. De rechtbank ziet in de enkele stelling dat overdracht aan Duitsland leidt tot onevenredige hardheid geen aanleiding voor een ander oordeel.

Refoulement

7. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024. Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 5.1. en 5.2. is overwogen kan ten aanzien van Duitsland nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Duitsland een risico is op indirect refoulement.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Tesfai

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand