uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster 1] , v-nummer: [V-nummer 1] , verzoekster 1,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.21004 en NL26.20963
[verzoekster 2] , v-nummer: [V-nummer 2] , verzoekster 2,
Mede ten behoeve van de minderjarige kinderen van verzoekster 2,
[minderjarige 1] , v-nummer: [V-nummer 3] ,
[minderjarige 2] , v-nummer: [V-nummer 4] ,
Hierna: verzoeksters,
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 7 april 2026 heeft verweerder de asielaanvragen van verzoeksters niet in behandeling genomen, omdat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandelingen daarvan.
Verzoeksters hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummers NL26.21003 en NL26.20962, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de beroepen. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om die reden af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 8 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.