RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiseres,
[naam 2] ,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22542
geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer 1] ,
mede namens haar minderjarig kind:
V-nummer: [nummer 2]
hierna: eisers,
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
1. De minister heeft op 21 april 2026 aan eisers een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw (de vrijheidsbeperkende maatregel).
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en gronden ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend en daarin medegedeeld dat eisers op 7 mei 2026 MOB zijn gemeld. Ook is aangegeven dat de vrijheidsbeperkende maatregel op 8 mei 2026 is beëindigd.
De rechtbank heeft de gemachtigde van eisers in de gelegenheid gesteld te reageren op het verweerschrift. De gemachtigde heeft hiervan gebruik gemaakt.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Eisers en hun gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Beslissing
2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk behandelt. Eisers krijgen daarom ook geen vergoeding van hun proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Besluitvorming
3. De minister heeft eisers op grond van artikel 56 van de Vw verplicht om, met ingang van 28 april 2026, te verblijven in de gemeente Gilze en Rijen, waar zij zich in de gezinslocatie dienen op te houden. De minister heeft overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert en acht hierbij van belang dat eisers niet hebben voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Ook beschikken eisers niet over een vaste woon- of verblijfsplaats en hebben zij onvoldoende middelen van bestaan. De minister heeft in aanvulling hierop overwogen dat de vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd om toezicht te kunnen houden of eisers daadwerkelijk ook invulling geven aan hun verplichting om actief te werken aan vertrek. De minister vindt de maatregel proportioneel, ook omdat deze gepaard gaat met het aanbieden van onderdak.
Oordeel van de rechtbank
Zijn eisers met onbekende bestemming vertrokken?
4. De rechtbank oordeelt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, de vreemdeling nog belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met die vreemdeling over de procedure. Dit is alleen anders als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Daarbij moet er, in het licht van het fundamentele belang van recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, voorzichtig omgegaan worden met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding.
De gemachtigde van eisers heeft bij bericht van 2 juni 2026 de rechtbank laten weten dat hij onlangs nog contact met hen heeft gehad. De rechtbank oordeelt om die reden dat niet kan worden geoordeeld dat eisers met onbekende bestemming zijn vertrokken.
Hebben eisers procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling?
5. De rechtbank is van oordeel dat procesbelang ontbreekt. Uit de overgelegde informatie van de minister volgt namelijk dat eisers zich niet op de gezinslocatie in de gemeente Gilze en Rijen hebben gemeld en dat de maatregel nooit ten uitvoer is gelegd. Daarnaast is de vrijheidsbeperkende maatregel op 8 mei 2026 opgeheven. Eisers hebben deze gang van zaken niet betwist. Dat eisers schade zouden hebben geleden door het opheffen van de vrijheidsbeperkende maatregel, is gesteld noch gebleken.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk.
7. Voor een schadevergoeding of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.