ECLI:NL:RBDHA:2026:15587

ECLI:NL:RBDHA:2026:15587

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-06-2026
Datum publicatie 10-06-2026
Zaaknummer NL25.54189
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Asiel, LHBTI, Gambia, verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.54189

(gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),

en

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de homoseksuele gerichtheid van eiser namelijk niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. D.E. van Elst als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1997. Hij behoort tot de Madinka bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij homoseksueel is en een relatie had met [persoon A]. Hij is in 2014 door zijn oom betrapt toen hij gemeenschap met [persoon A] had. Eiser is toen in elkaar geslagen en belandde in het ziekenhuis. Tot aan het overlijden van zijn moeder kon eiser nog in haar huis wonen en daarna vertrok hij naar Kotu om te werken. Nadat hij genoeg geld had gespaard vertrok hij uit Gambia. Bij terugkeer naar Gambia vreest eiser dat hij zijn gerichtheid niet vrij zal kunnen uiten. Daarnaast vreest hij om vermoord te worden door zijn vader.

Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser een kopie van een medisch rapport uit 2014 overgelegd.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- homoseksuele gerichtheid en de daardoor ondervonden problemen.

De minister acht het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De minister vindt de homoseksuele gerichtheid van eiser en de gestelde problemen die hij daardoor zou hebben ondervonden niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn homoseksuele gerichtheid niet met documenten onderbouwd en de verklaringen van eiser zijn volgens de minister niet samenhangend en aannemelijk. Uit eisers verklaringen volgt niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft, de minister merkt eiser dan ook niet aan als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Dat hij uit Gambia komt is op zichzelf niet voldoende om een vluchteling te zijn. Nu zijn gerichtheid niet wordt geloofd, toetst de minister wel of aan eiser een homoseksuele gerichtheid kan worden toegedicht. Dat is evenmin het geval. Voorts vindt de minister dat eiser bij terugkeer naar Gambia geen reëel risico op ernstige schade loopt. De minister heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond.

Acht de minister eisers homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig?

5. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voorvloeiende problemen niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die het asielmotief volledig onderbouwen. De minister heeft daarom beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en hij daarom niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.

WI 2019/17

6. De minister heeft bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde homoseksuele gerichtheid gebruikt gemaakt van werkinstructie (WI) 2019/17, ‘Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd’. In het kader van het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de gestelde geaardheid worden onder meer vragen gesteld over een aantal vaste thema’s: privéleven van de vreemdeling, huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbti groepen, contact met lhbti’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie, discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst. In het algemeen ligt het zwaartepunt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst en hoe zijn ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit is vooral van belang als de vreemdeling uit een land komt waar het zijn van lhbti maatschappelijk gezien wordt afgekeurd of strafbaar is gesteld.

Tegenwerpingen

Samengevat werpt de minister eiser tegen dat hij wisselend heeft verklaard over hoe eiser zich voelde toen hij erachter kwam dat hij op jongens valt. Ook geeft eiser volgens de minister geen inzicht in hoe het voor hem was om hierachter te komen en hoe hij zijn religie kon combineren met zijn seksuele gerichtheid. Verder acht de minister eisers verklaringen over het gesprek met zijn moeder niet specifiek en authentiek genoeg en heeft hij ongerijmd verklaard over hoe zijn relatie met [persoon A] tot stand is gekomen. Daarbij komt ook dat eisers verklaringen over wat hem aantrok aan [persoon A] algemeen van aard zijn en dat hij algemeen heeft verklaard over de periode waarin zij een relatie met elkaar hadden. Verder heeft eiser niet specifiek en authentiek verklaard over zijn relatie met [persoon B], heeft hij ongerijmd verklaard over het huwelijksaanzoek van [persoon B] en ook ongerijmd verklaard over het verliezen van zijn telefoon en het daardoor geen contact meer opnemen met [persoon B]. Eiser heeft daarnaast, volgens de minister, niet inzichtelijk gemaakt waar zijn behoefte om zijn seksuele gerichtheid in Nederland te uiten vandaan kwam. Hij heeft ook niet verklaard over zijn gevoelens over het bezoeken van Wageningen Shout en het bezoeken van de Gaypride.

Eiser betoogt dat de minister zijn homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig acht. Hij voert daartoe een aantal argumenten aan. De rechtbank stelt vast dat eiser niet tegen al deze tegenwerpingen gronden heeft gericht. Hieronder zal de rechtbank de punten die door eiser zijn aangevoerd bespreken.

Mogelijkheid om te verklaren

7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het geweldsincident dat eiser heeft meegemaakt en het opgelopen ernstig neurologisch hersenletsel, wat invloed heeft gehad op de door eiser afgelegde verklaringen. Dat het medische document dat dit letsel onderschrijft een kopie betreft, maakt niet dat hier geen bewijswaarde aan kan worden toegekend. Ook heeft eiser een bevredigend antwoord gegeven voor het ontbreken van het origineel.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister bij de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met het medische stuk waaruit zou volgen dat eiser neurologisch letsel heeft. De minister heeft op de zitting terecht gesteld dat uit het overgelegde medische stuk geen causaal verband volgt dat eiser door het neurologisch letsel niet in staat zou zijn om juist te verklaren en daardoor geen samenhangende en aannemelijke verklaringen kan afleggen. Bovendien blijkt uit het medTadvies van 4 juni 2025 dat er geen beperkingen zijn voor het horen.

Kwalificatierichtlijn en referentiekader

8. Eiser betoogt verder dat de minister bij de beoordeling van zijn verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn individuele en persoonlijke omstandigheden zoals volgt uit artikel 4, derde lid, sub c, en vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Ter onderbouwing verwijst eiser naar verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). In het bestreden besluit heeft de minister onvoldoende betrokken dat de verklaringen die eiser heeft afgelegd gaan over gebeurtenissen die zich dertien jaar geleden hebben voorgedaan. Ook is onvoldoende betrokken dat eiser is opgegroeid in een streng religieus gezin en dat zijn vader imam was met connecties in de regering en bij de politie. Dit maakt het juist moeilijker en niet makkelijker voor eiser om over zijn gevoelens te praten.

Naar het oordeel van de rechtbank moet de minister bij het beoordelen van de door eiser afgelegde verklaringen rekening houden met zijn persoonlijke omstandigheden en het referentiekader. Het gaat er daarbij om of het referentiekader en/of de persoonlijke omstandigheden, waaronder in het geval van eiser het feit dat hij is opgegroeid in een streng religieus gezin met een imam als vader, kenbaar gemotiveerd in het besluit zijn betrokken door de minister. De rechtbank oordeelt dat dat het geval is. De minister stelt namelijk terecht dat van eiser niet wordt verwacht dat hij in zijn verklaringen over een periode van dertien jaar geleden concrete data noemt of dat er op detailniveau geen enkele tegenstrijdigheden zijn. De minister mag van eiser echter wél verwachten dat hij uitgebreid over zijn gevoelens kan verklaren, zeker gelet op de omstandigheid dat eiser is opgegroeid in een land waar homoseksualiteit verboden is. Ook mag de minister van eiser verwachten dat hij inzicht kan geven in zijn gevoelens omdat hij in de periode dat hij daarachter kwam, deze homoseksuele gevoelens verborgen moest houden. Zeker gelet op het feit dat eiser nu al geruime tijd, al meerdere jaren, zijn homoseksualiteit niet meer verborgen hoeft te houden. Gelet op eisers referentiekader, waaronder het feit dat hij de middelbare school heeft afgemaakt en in Gambia heeft gewerkt, mocht de minister van eiser verwachten dat hij simpele vragen kan begrijpen en beantwoorden. De minister brengt naar voren dat tijdens het gehoor, in reactie op de verklaring van eiser dat zijn gerichtheid verboden is in zijn religie, is doorgevraagd naar hoe eiser met zijn religie is omgegaan terwijl hij homoseksueel is. Eiser heeft in reactie hierop verklaard dat hij liefde en religie in zijn hoofd gescheiden heeft. Hoewel het mogelijk is om religieus en homoseksueel te zijn stelt de minister niet ten onrechte dat daartegenover staat dat eiser komt uit een samenleving waar homoseksualiteit niet wordt geaccepteerd. Hij komt uit een streng religieus gezin waar hem altijd is verteld dat homoseksualiteit volgens zijn religie niet mag. Van eiser mag daarom verwacht worden dat hij uit kan leggen waarom hij op zo’n jonge leeftijd al een scheiding in zijn hoofd kon maken tussen liefde en religie. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser voldoende mogelijkheid heeft gegeven om hierover uitleg te verschaffen door het doorvragen in het nader gehoor. Er is ook voldoende rekening gehouden met eisers religieuze opvoeding en achtergrond tegen het licht van zijn homoseksuele gerichtheid en de mogelijkheid van eiser om daarover te kunnen verklaren. De minister heeft dit namelijk in de motivering betrokken. De verwijzingen naar de Afdelingsuitspraken slagen reeds daarom niet.

Voor wat betreft eisers verwijzingen naar verschillende artikelleden van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, oordeelt de rechtbank dat artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn is geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. Eiser heeft vervolgens niet geconcretiseerd en onderbouwd waarom de minister de aanvraag niet heeft beoordeeld aan de hand van en in lijn met artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. De verwijzingen naar de Afdelingsuitspraken slagen bij een gebrek aan onderbouwing evenmin.

Authentiek genoeg

9. Eiser betoogt dat het hanteren van de term ‘authentiek genoeg’ door de minister in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, gezien deze term niet objectief te definiëren is en daardoor achteraf niet te toetsen is door een rechter. De minister stelt ten onrechte dat eiser niet authentiek genoeg heeft verklaard over zijn bewustwordingsproces.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de term “authentiek genoeg” een term is die vaker in zaken rondom LHBTI-aanvragen voorkomt. De minister heeft in het bestreden besluit toegelicht wat hiermee bedoeld wordt, namelijk dat de verklaringen van eiser niet persoonlijk zijn gemaakt en dat eiser slechts algemene verklaringen heeft afgelegd. Het betoog van eiser dat het gebruik van deze woorden in strijd is met het rechtszekerheids- en motiveringsbeginsel volgt de rechtbank niet zodat dit betoog niet slaagt. De minister stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat eisers verklaringen niet authentiek zijn omdat hij oppervlakkig heeft verklaard over zowel [persoon B] als [persoon A] door enkel algemene persoonskenmerken te benoemen. De minister mag van eiser verwachten dat hij persoonlijke verklaringen geeft ter onderbouwing van zijn homoseksuele gerichtheid. Het is voor de rechtbank verder niet duidelijk – bij gebrek aan een toelichting – wat eiser bedoelt met zijn betoog dat ‘authentiek genoeg’ niet SMART is gedefinieerd, zodat zij daar verder dan ook niet inhoudelijk op in gaat.

Sociale groep

10. Verder heeft eiser betoogd dat asielzoekers met een homoseksuele gerichtheid gelet op artikel 10, eerste lid, sub d, van de Kwalificatierichtlijn afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst kunnen worden aangemerkt als een sociale groep die als gemeenschappelijk kenmerk seksuele gerichtheid heeft. Op de zitting heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht om dit standpunt nader uit te leggen en toe te lichten. Omdat de gemachtigde dit betoog niet nader kon toelichten of specificeren, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier inhoudelijk een oordeel over te geven.

Voordeel van de twijfel

11. Voor wat betreft eisers betoog dat aan hem het voordeel van de twijfel moet worden gegeven omdat hij voldoet aan alle vereisten van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000, oordeelt de rechtbank dat eiser dit betoog niet heeft onderbouwd. De rechtbank volgt het standpunt van de minister en oordeelt dat gelet op het bovenstaande niet ten onrechte is gesteld dat eisers verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn. Hij voldoet daarom niet aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000, zodat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om eiser het voordeel van de twijfel te geven.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Y. Yeniay - Cenik

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand