Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/029337-26
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres] [woonplaats]
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats],
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 13 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P.B. Spaargaren naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde feit bepleit en heeft zich met betrekking tot de onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde feit
De rechtbank is met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
Na de inbraak op het kantoor van aangever is een 100 Dirham biljet aangetroffen met het DNA erop van de verdachte. De aangever heeft verklaard dat zij geen andere valuta op kantoor hebben dan euro’s. Daarnaast heeft de mobiele telefoon van de verdachte om 03:33 ’s nachts een zendmast aangestraald in de buurt van de plaats van de inbraak. Weliswaar zijn er daarmee aanwijzingen dat de verdachte mogelijk betrokken was bij deze inbraak, de rechtbank komt echter niet tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die deze inbraak heeft gepleegd. Het 100 Dirham biljet is een verplaatsbaar object waarop meerdere DNA sporen, niet alleen van de verdachte, zijn gevonden. Niets is verder bekend over hoe en wanneer dit object in het kantoor terecht is gekomen en wanneer de verdachte in aanraking is geweest met dit object. Met het aanstralen van de mobiel van de verdachte door een nabijgelegen zendmast in de nacht waarin de inbraak heeft plaatsgevonden, kan slechts worden vastgesteld dat de verdachte daar op enig moment in de nacht van de inbraak in de buurt was. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 4 ten laste is gelegd.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit en de officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025403187, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 307).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 13 mei 2026.
2. Het proces-verbaal van aangifte van de Internationale Organisatie voor Migratie , opgemaakt op 28 november 2025 (p. 15-17);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 1 december 2025 (p. 18-19);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 november 2025, (p. 47-49);
5 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 december 2025 (p. 53-54);
6. Het proces-verbaal van aangifte van de Ambassade van [land 1] in Nederland , opgemaakt op 28 november 2025 (p. 20-22);
7. Het proces-verbaal van aangifte van Ambassade [land 2] in Nederland, opgemaakt op 28 november 2025, (p. 23-37);
8. Het proces-verbaal van aangifte van Stichting Cavast, opgemaakt op 28 november 2025, (p. 38-40).
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 28 november 2025 te 's-Gravenhage
tezamen en in vereniging met anderen
een pinpas en betaalpassen en telefoon en simkaarten die aan de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM)), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders,
toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de
plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en die weg te nemen goederen
onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en
verbreking;
2
hij op 28 november 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander een geldbedrag van 2.000 euro dat aan de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een van diefstal afkomstige bankpas op naam van de IOM met bijbehorende pincode;
3
hij op 28 november 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen
misdrijf om een of meer goederen van hun gading, in elk geval enig goed,
dat geheel of ten dele aan de ambassade van [land 1] en de ambassade van
[land 2] weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak en verbreking door diverse deuren open te breken en te forceren en kasten te openen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
5
hij op of omstreeks 28 november 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en wederrechtelijk deuren en kozijnen die geheel of ten dele aan Stichting Cavast heeft vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 3 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest bepleit en subsidiair een gevangenisstraf gelijk aan voorarrest, met daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf, met de bijzondere voorwaarden van de reclassering.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich met anderen in de nacht van 28 november 2025 schuldig gemaakt aan een inbraak bij een internationale organisatie en twee pogingen daartoe bij verschillende ambassades. Hij heeft daarbij ook kozijnen en deuren, kostbare onderdelen van het pand dat toebehoort aan een derde, vernield. Na die inbraak heeft hij met een weggenomen creditcard een groot geldbedrag gepind. De verdachte heeft met deze feiten niet alleen flinke schade en overlast veroorzaakt bij de ambassades, een internationale organisatie en bij de pandeigenaar, maar gezien het brutale karakter van deze inbraak ook bijgedragen aan de gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De verdachte heeft enkel zijn eigen financiële gewin voor ogen gehad en niet stilgestaan bij de gevolgen voor anderen. De rechtbank kent hieraan zwaarwegende betekenis toe bij haar strafoplegging.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van meerdaadse samenloop van de feiten die plaatsvonden in het verzamelgebouw van de Stichting Cavast, waarin de ambassades en het IOM gevestigd zijn.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder meermaals is veroordeeld voor (vermogens)delicten. Omdat deze delicten al langere tijd geleden zijn gepleegd, heeft de rechtbank dit niet in het voor- of nadeel van de verdachte meegewogen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 29 april 2026 over de verdachte. Daaruit volgt dat sprake is van problematiek op meerdere leefgebieden van de verdachte. In bijzonder het alcoholgebruik, het sociale netwerk en de houding van de verdachte zijn volgens de reclassering risicofactoren. In het verleden heeft de verdachte meermaals begeleiding gehad van de reclassering, maar die trajecten hebben niet het gewenste effect gehad. Omdat de verdachte heeft gezegd zijn gedrag te willen aanpassen, wil de reclassering hem nog één kans bieden. De reclassering schat een hoog recidiverisico in en adviseert bij veroordeling van de verdachte met een deels voorwaardelijke straf hem op te leggen:
een meldplicht bij de reclassering;
medewerking aan het vinden van een zinvolle dagbesteding;
medewerking bij de aflossing van zijn schulden;
beheersing van zijn middelengebruik;
ambulante begeleiding.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist, met name gezien de vrijspraak ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit.
De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
7. De vordering van de benadeelde partij
De ambassade van [land 1] in Nederland heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van materiële schade ter hoogte van € 31.679,80, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende schadeposten.
Daarnaast heeft [notariskantoor] zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van materiële schade ter hoogte van € 27.472,93, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de vorderingen van beide benadeelde partijen toewijsbaar zijn.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de vordering van [notariskantoor] heeft de verdediging gepleit voor niet-ontvankelijkheid, vanwege de bepleite vrijspraak van de verdachte voor het onder 4 ten laste gelegde feit.
Ten aanzien van de vordering van de ambassade van [land 1] in Nederland heeft de verdediging bepleit dat de schadepost van € 15.089,49 (schade aan kozijnen en deuren) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd. Ter ondersteuning van deze schadepost is slechts een offerte overgelegd die niet voldoende is gespecificeerd. Ook dient volgens de verdediging de schadepost van € 15.201,83 (extra beveiliging) niet ontvankelijk te worden verklaard, omdat er geen rechtstreeks verband is en ook onvoldoende is onderbouwd dat de extra beveiliging noodzakelijk in deze periode nodig was. Ten aanzien van de schadepost van € 1.388,48 heeft de verdediging zich gerefereerd, met dien verstande dat de BTW dient te worden afgetrokken van het toegewezen bedrag.
Het oordeel van de rechtbank
Vordering van [notariskantoor]
De rechtbank zal [notariskantoor] niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering, aangezien de verdachte van onder 4 tenlastegelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken. Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
Vordering van de ambassade van [land 1] in Nederland
Ten aanzien van de schadepost van € 15.089,49 (schade deuren en kozijnen) zal de rechtbank de ambassade van [land 1] in Nederland niet-ontvankelijk verklaren. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de verdediging kan de rechtbank de schade aan de deuren en kozijnen niet vaststellen. Ten aanzien van de schadepost van € 15.201,83 (tijdelijke bewaking) kan de rechtbank, gelet op het standpunt van de verdediging, ook niet vaststellen dat het nodig was om tijdelijk extra bewaking in te huren. De ambassade van [land 1] in Nederland is ook niet ter zitting verschenen om haar vordering nader toe te lichten. De ambassade van [land 1] in Nederland de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de ambassade van [land 1] in Nederland daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van haar vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De schadepost van € 1.388,48 (plaatsen van metalen plaat) is niet door de verdediging betwist, voor zover het gaat om het bedrag exclusief de BTW, en is door de ambassade van [land 1] voldoende onderbouwd. Deze schadepost zal daarom exclusief de BTW worden toegewezen tot een bedrag van € 1.147,50 en voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag van € 1.147,50 toewijzen met ingang van 28 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Omdat een gedeelte van de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend in vereniging met één of meer anderen heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Oplegging schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de ambassade van [land 1] in Nederland aansprakelijk voor schade die daardoor is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.147,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van de ambassade van [land 1] in Nederland.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 285, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt.
ten aanzien van feit 1:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en verbreking;
ten aanzien van feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
ten aanzien van feit 3:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en verbreking, meermaals gepleegd;
ten aanzien van feit 5:
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 209 DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 90 (negentig) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland Advies & Toezicht unit 9, Bezuidenhoutseweg 179, ’s-Gravenhage of bij een door de reclassering aan te wijzen andere vestiging, dan wel bij een door de reclassering aan te wijzen vestiging van Reclassering Fivoor, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
2. zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
3. meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
4. zich verplicht mee te werken aan controle van het gebruik van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en lijst IA van de Opiumwet. van de Opiumwet om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek, ademonderzoek en een speekseltest gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel de veroordeelde wordt gecontroleerd;
5. zich ambulant laat begeleiden door een coach van E25 of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde komt zijn afspraken na en stelt zich begeleidbaar op.
geeft opdracht aan Reclassering Nederland Advies & Toezicht, of een nader door haar aangewezen Reclassering Fivoor, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
6. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
7. medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;
de vordering van de ambassade van [land 1] in Nederland
wijst de vordering tot schadevergoeding van de ambassade van [land 1] in Nederland deels toe tot een bedrag van € 1.147,50 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan de ambassade van [land 1] in Nederland.
bepaalt dat de ambassade van [land 1] in Nederland voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding en dat de zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de ambassade van [land 1] in Nederland gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van de vordering van de ambassade van [land 1] in Nederland
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.147,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 november 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van de ambassade van [land 1] in Nederland.
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 11 (elf) dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de ambassade van [land 1] in Nederland heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de ambassade van [land 1] in Nederland heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
de vordering van [notariskantoor]
bepaalt dat de benadeelde partij [notariskantoor] niet-ontvankelijk is haar vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt [notariskantoor] in de proceskosten van de verdachte, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.W. Duijnstee, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. M.C. Ritsema van Eck - van Drempt, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Egmond, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 mei 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 28 november 2025 te 's-Gravenhage
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een pinpas en/of betaalpassen en/of telefoon en/of simkaarten, in elk geval enig
goed, dat/die geheel of ten dele aan de Internationale Organisatie voor Migratie
(IOM), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de
plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen
onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of
verbreking;
2
hij op of omstreeks 28 november 2025 te 's-Gravenhage
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een geldbedrag van 2.000 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), in elk geval aan een ander dan
aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn
mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft
en/of dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht
door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel,
te weten een van diefstal afkomstige bankpas op naam van de Internationale
Organisatie voor Migratie met bijbehorende pincode;
3
hij op of omstreeks 28 november 2025 te 's-Gravenhage
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om een of meer goederen van zijn/hun gading, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan de ambassade van [land 1] en/of de ambassade van
[land 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar
mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te
verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik
te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming, een valse sleutel
diverse deuren open te breken en/of te forceren en/of kasten te openen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
hij in of omstreeks de periode van 6 tot en met 7 nvoember 2025 te 's-Gravenhage
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
42 laptops, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [notariskantoor], in
elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder
zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking
en/of inklimming;
5
hij op of omstreeks 28 november 2025 te 's-Gravenhage
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
opzettelijk en wederrechtelijk deuren en/of kozijnen, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan Stichting Cavast en/of Urban Interest, in elk geval aan een
ander toebehoorde(n)
heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt