ECLI:NL:RBDHA:2026:15600

ECLI:NL:RBDHA:2026:15600

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 10-06-2026
Zaaknummer NL24.27675
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Regulier. MK uitspraak. Intrekking verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht + IRV 10 jaar, vanwege gevaar openbare orde na drugsdelicten. Settled migrant. Artikel 8 EVRM. Unierechtelijk OO-criterium. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.27675

(gemachtigde: mr. A. Agayev),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J. Vetzo).

Procesverloop

Op 19 november 2021 heeft verweerder het voornemen geuit om de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in te trekken en een inreisverbod van tien jaar op te leggen. Tegen dit voornemen heeft de broer van eiser namens hem, op 13 december 2021, een zienswijze ingediend.

Op 21 december 2022 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij besluit van 19 januari 2023 (het primaire besluit) is de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken tot 12 juli 2016 en is tevens een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.

Bij besluit van 14 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Eiser heeft op 2, 17 en 19 februari 2026 – per abuis in de zaak van het verzoek om een voorlopige voorziening NL23.2971 – aanvullende stukken ingediend.

Verweerder heeft op 6 maart 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser is in Nederland geboren op [geboortedatum] en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft sinds zijn geboorte rechtmatig in Nederland verbleven. Met ingang van 27 april 2001 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

2. Eiser is herhaaldelijk veroordeeld wegens misdrijven. In België is hij in 2015 tot twee jaar gevangenisstraf (waarvan één jaar voorwaardelijk) veroordeeld wegens drugshandel. In 2019 is hij in België onherroepelijk tot twaalf jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens drugshandel en lidmaatschap van een criminele organisatie. Eiser was tussen juli en september 2016 als lid van deze criminele organisatie betrokken bij grootschalige drugshandel vanuit Zuid-Amerika naar Europa. Hij is veroordeeld voor de invoer, handel en bezit van twee partijen cocaïne van respectievelijk 1731 en 1757 kilogram met een straatwaarde van meer dan honderd miljoen euro. Eiser vervulde de rol van rechterhand van de leider van de criminele organisatie, die tevens zijn zwager is. Het Internationaal Rechtshulpcentrum heeft op 2 juni 2021 ten aanzien van die laatste feiten aangegeven dat het Openbaar Ministerie in Nederland bij vergelijkbare strafbare feiten ten minste negen jaar gevangenisstraf zou eisen. In juni 2022 is eiser door de Belgische autoriteiten vervroegd in vrijheid gesteld en aan Nederland overgedragen.

Het bestreden besluit

3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 12 juli 2016 ingetrokken, omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Daarbij heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 3.86, tiende lid, van het Vb, staat niet aan intrekking in de weg, omdat eiser een Opiumwetdelict heeft gepleegd met een strafbedreiging van zes jaar of meer. Ook artikel 3.86, zeventiende lid, van het Vb, staat niet aan intrekking in de weg. Het besluit is namelijk niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft geen beschermingswaardig familieleven in Nederland. Verweerder is wel uitgegaan van beschermingswaardig gezinsleven en privéleven in Nederland, maar het belang van verweerder om de openbare orde te beschermen weegt volgens hem zwaarder dan eisers belang om zijn gezinsleven en privéleven in Nederland te blijven uitoefenen.

Omdat van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving uitgaat, heeft verweerder een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd.

Beroepsgronden

4. Eiser voert aan dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Het bestreden besluit geeft er geen blijk van dat verweerder bij de belangenafweging het juiste criterium als uitgangspunt heeft gehanteerd. Verweerder erkent dat eiser als ‘settled migrant’ substantiële banden met Nederland heeft, maar heeft in zijn belangenafweging niet als uitgangspunt voorop gesteld dat er zwaarwegende redenen (‘very serious reasons’) aanwezig moeten zijn om de uitzetting van eiser te rechtvaardigen. Daarnaast heeft verweerder verschillende feiten en omstandigheden, waaronder de kans op recidive, eisers gedragingen sinds zijn terugkeer in Nederland, het feit dat eiser in Nederland is geboren en de hechtheid van zijn banden met Marokko, niet deugdelijk gemotiveerd meegewogen.

Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte een inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft uitgevaardigd, omdat hij - anders dan verweerder meent - geen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verweerder heeft namelijk in strijd met geldende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) de resultaten van zijn onderzoek naar deze bedreiging niet in het bestreden besluit vermeld en niet is gebleken welke nieuwe feitelijke en juridische gegevens verweerder in het onderzoek heeft betrokken. Eiser doet daarbij een beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:877.

Beoordeling door de rechtbank

Belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 29 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1722, moet de rechter toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en zo ja, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven en privéleven van de vreemdeling in Nederland enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Bij een belangenafweging waarin openbare-ordeaspecten een rol spelen, zoals in dit geval, moeten de in de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 augustus 2001, Boultif t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300, en 18 oktober 2006, Üner t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099, benoemde criteria worden betrokken. Hiertoe behoren onder meer de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf, de gedragingen van de betrokken vreemdeling gedurende die tijd en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de betrokken vreemdeling met het gastland en het land van herkomst.

Bij langdurig verblijfsrecht kan er nog steeds sprake zijn van verblijfsbeëindiging. Uit het arrest van het EHRM van 23 oktober 2018, Levakovic t. Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2018:1023JUD000784114, volgt dat het ondanks het ontbreken van banden met het land van herkomst, gerechtvaardigd kan zijn om een langdurig rechtmatig verblijf te beëindigen, als de door een vreemdeling gepleegde misdrijven (zeer) ernstig van aard zijn. Uit het arrest van het EHRM van 2 juni 2020, Azerkane t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816, volgt dat, ondanks het bestaan van beperkte banden met het land van herkomst en het bestaan van sterke banden met Nederland, de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd hoeft te zijn met artikel 8 van het EVRM. Deze rechtspraak van het EHRM laat onverlet dat er steeds een individuele belangenafweging moet worden gemaakt en dat er ‘zwaarwegende redenen’ (‘very serious reasons’) moeten zijn om bij langdurig rechtmatig verblijvende vreemdelingen (‘settled migrants’) tot verblijfsbeëindiging over te gaan (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2020; ECLI:NL:RVS:2020:1503).

De rechtbank stelt vast dat verweerder – onweersproken – niet uitgaat van beschermingswaardig familieleven, omdat tussen eiser en zijn in Nederland wonende familieleden geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting bevestigd dat verweerder in het bestreden besluit wel is uitgegaan van beschermingswaardig gezinsleven. De rechtbank toetst hierna de door verweerder gemaakte belangenafweging in het kader van eisers gezinsleven en privéleven in Nederland.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder – anders dan eiser meent – het juiste toetsingskader als uitgangspunt heeft gehanteerd, namelijk dat eiser een ‘settled migrant’ is en dat daarom alleen tot intrekking van de verblijfsvergunning overgegaan kan worden indien er sprake is van zwaarwegende redenen. Hoewel verweerder in het bestreden besluit niet expliciet de termen ‘settled migrant’ en ‘zwaarwegende redenen’ heeft genoemd, is de rechtbank van oordeel dat uit de inhoud van het bestreden besluit voldoende blijkt dat verweerder het juiste toetsingskader heeft toegepast. Verweerder heeft erkend dat eiser in Nederland is geboren en getogen en dat daar een substantieel gewicht aan toekomt. Verweerder heeft niet gesteld dat er aanvullend nog sprake moet zijn van een bijzondere binding. Daarnaast blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder uitgaat van het bestaan van zeer ernstige redenen – de rechtbank begrijpt: zwaarwegende redenen – die het beëindigen van eisers verblijfsrecht in Nederland rechtvaardigen. De zeer ernstige redenen zijn erin gelegen dat eiser meermalen ernstige (drugs)misdrijven heeft gepleegd en zijn houding en normbesef niet zodanig ten positieve zijn gewijzigd dat niet meer voor nieuwe misdrijven hoeft te worden gevreesd. Het risico op recidive heeft eiser niet weerlegd. Verweerder heeft in het bestreden besluit gewezen op de strafbare feiten waar eiser voor veroordeeld is en heeft daarbij ook de pleegomstandigheden en de strafmotivering betrokken, evenals eisers vlucht naar Nederland in september 2019 na zijn strafrechtelijke veroordeling en het doorknippen van zijn enkelband. Verweerder heeft verder kunnen betrekken dat onvoldoende is gebleken van een positieve gedragsverandering bij eiser. Ondanks dat eiser substantiële banden heeft met Nederland zijn die toch geringer dan te verwachten zijn bij een zo lange verblijfsduur. Verweerder heeft dit alles in het bestreden besluit (en het daarin gehandhaafde primaire besluit) uitvoerig en concreet toegelicht en daarbij alle relevante feiten en omstandigheden betrokken.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers privéleven niet aan Nederland is gebonden. Uit de stukken blijkt dat eiser in de periode van 2015 tot zijn overdracht aan Nederland in juni 2022 voornamelijk in België heeft verbleven. Ten tijde van het primaire besluit had hij geen eigen woning maar woonde hij bij zijn broer, at bij zijn familie, en was hij economisch niet aan Nederland gebonden. Ten tijde van het bestreden besluit was eiser wel getrouwd, en hoewel verweerder terecht opmerkt dat eiser over zijn relaties tegenstrijdig heeft verklaard, is het (prille) huwelijk betrokken bij de belangenafweging. Zijn echtgenote heeft naast de Nederlandse ook de Marokkaanse nationaliteit. Verweerder is er niet van uitgegaan dat zij met eiser mee naar Marokko wil of kan gaan. Verweerder heeft zich echter, naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte, op het standpunt gesteld dat de bescherming van de openbare orde zwaarder weegt dan eisers belang om zijn gezinsleven in Nederland uit te kunnen oefenen. Daarbij heeft verweerder mee kunnen wegen dat de echtgenote toen zij trouwde met eiser op de hoogte was van zijn eerdere veroordelingen en van zijn onzekere verblijfsstatus. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser ten tijde van het bestreden besluit in de Basisregistratie personen niet op hetzelfde adres ingeschreven stond als zijn echtgenote.

De door eiser op 2, 17 en 19 februari 2026 ingediende stukken leiden niet tot een ander oordeel. Voor de loonstroken en de verklaring van zwangerschap geldt dat deze, gelet op de ex tunc beoordeling, niet tot een ander oordeel kunnen leiden omdat deze zien op de periode na het bestreden besluit. De kopie van de huwelijksakte en de verklaring van de echtgenote – voor zover die zien op de periode tot het bestreden besluit – schetsen geen andere feiten en omstandigheden dan al door verweerder bij de belangenafweging zijn betrokken.

Tot slot heeft verweerder kunnen betrekken dat eisers banden met Marokko weliswaar geringer zijn dan zijn banden met Nederland, maar wel voldoende sterk om een vertrek naar Marokko van hem te kunnen verlangen. Hij heeft de Marokkaanse nationaliteit en groeide op in een Marokkaans gezin. Hij is vertrouwd met de cultuur en de taal en bezocht Marokko nog regelmatig met zijn moeder.

De beroepsgrond slaagt niet.

Inreisverbod van tien jaar

Bij oplegging van een zwaar inreisverbod op grond van gevaar voor de openbare orde moet verweerder toetsen of de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving vormt (het Unierechtelijk openbare orde-criterium). Dit volgt uit het arrest Z. Zh. en I. O. van het Hof van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:377. In de uitspraak van 20 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3579, heeft de Afdeling uit voornoemd arrest afgeleid dat verweerder bij zijn beoordeling of het persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt dat een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Steunen op een algemene praktijk of een vermoeden volstaat daarom niet. Het resultaat van dit onderzoek moet blijken uit de motivering van het besluit.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom de persoonlijke gedragingen van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Hierbij heeft verweerder de aard en de ernst van het misdrijven betrokken; eiser is in 2019 veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens het plegen van de hiervoor in rechtsoverweging 2 beschreven druggerelateerde misdrijven en zijn lidmaatschap van een criminele organisatie. Dit zijn zeer ernstige misdrijven op grond waarvan verweerder mocht concluderen dat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt. Eiser heeft op basis van deze veroordeling tot juli 2022 vastgezeten in België. Uit de vervroegde invrijheidstelling door de Belgische autoriteiten heeft verweerder niet hoeven afleiden dat eiser geen actuele dreiging meer vormt of dat er geen aanleiding was voor recidive, omdat die procedure enkel strekte tot verwijdering van eiser van het grondgebied van België. Verweerder heeft verder kunnen betrekken dat uit het reclasseringsrapport volgt dat eiser een minimaliserende rol aanneemt en min of meer de schuld en de bewezen geachte activiteiten ontkent.

Ook heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het tijdsverloop sinds het plegen van de strafbare feiten in 2016 voldoende betrokken. Verweerder heeft van belang kunnen achten dat eiser geen uitvoering heeft gegeven aan zijn plannen die ten grondslag hebben gelegen aan de vervroegde invrijheidstelling in België. Hij is niet gaan werken bij het bedrijf [bedrijf X] , waar hij werkte voordat hij werd uitgeleverd aan België en waar hij na zijn invrijheidstelling terug mocht komen. Ook is niet gebleken dat hij een overeenkomst heeft gesloten ter afbetaling van de opgelegde boetes. Hij is niet gaan samenwonen met zijn (toen) gestelde verloofde, noch is hij met haar getrouwd. Pas een half jaar na eisers terugkeer naar Nederland is hij gaan werken. Dat hij zich tot die tijd heeft georiënteerd op de arbeidsmarkt heeft hij slechts gesteld maar niet onderbouwd. Hij heeft al met al de kans laten liggen om te laten zien dat hij een regulier bestaan wilde leiden.

In bezwaar is eiser bovendien in de gelegenheid gesteld om actuele gegevens over te leggen over waarom hij geen gevaar voor de openbare orde meer vormt. Eiser heeft daar op dat moment geen gebruik van gemaakt. De nieuwe informatie die eiser nadien in de beroepsprocedure heeft verstrekt ziet, zoals ook al onder 6.3 is geoordeeld, grotendeels op de periode na het bestreden besluit en kan gelet op de ex tunc toetsing niet tot een ander oordeel leiden.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom een inreisverbod van tien jaar aan eiser uitgevaardigd kon worden. Van enige strijd met de jurisprudentie van het Hof is de rechtbank niet gebleken.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, voorzitter, en mr. G.A. Bouter - Rijksen en mr. Y.E. Schuurmans, leden, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.C. Harting
  • mr. G.A. Bouter - Rijksen
  • mr. Y.E. Schuurmans

Griffier

  • mr. J.B.C. Hoeksel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand