ECLI:NL:RBDHA:2026:15603

ECLI:NL:RBDHA:2026:15603

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-06-2026
Datum publicatie 10-06-2026
Zaaknummer NL26.29731
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

bewaring, eerste beroep, Algerije, 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw, kennisgeving, totale duur van de bewaring, arrest Aroja, aanvullende terugkeerbesluit, zes maandentermijn nog niet verstreken, minister was niet gehouden om een verlengingsbesluit te nemen, de niet betwiste zware en lichte gronden kunnen de maatregel dragen, geen lichter middel, voldoende voortvarend, zicht op uitzetting, eiser heeft kopiedocumenten overgelegd, arrest Adrar, de minister heeft een refoulementbeoordeling gemaakt, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.29731

geboren op [geboortedatum] ,

van Algerijnse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),

en

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

1. Bij besluit van 30 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank en heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;

(lichte gronden)

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.

De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.

3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.

Voortraject

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op de die grond onrechtmatig.

De totale duur van de bewaring

5. Eiser voert aan dat hij van 14 mei 2019 tot 4 november 2019 en van 9 februari 2026 tot 3 maart 2026 al in vreemdelingenbewaring heeft gezeten. De totale bewaringsduur bedraagt dus meer dan zes maanden en gelet hierop had de minister een verlengingsbesluit moeten nemen.

6. Volgens de Terugkeerrichtlijn moet elke lidstaat een maximale bewaringsduur vaststellen, die niet meer dan zes maanden mag bedragen. Deze termijn kan met maximaal twaalf maanden worden verlengd. In het arrest Aroja van 5 maart 2026 heeft het Hof geoordeeld dat alle perioden van bewaring, waarin een vreemdeling heeft gezeten ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, bij elkaar moeten worden opgeteld bij het bepalen van de maximale bewaringsduur. Het maakt daarbij volgens het Hof niet uit of het gaat om onderbroken perioden of om perioden waarbij de bewaring werd gehandhaafd maar het verwijderingsbesluit was geschorst wegens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van perioden van bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit. De rechtbank legt dit hierna uit.

Uit het arrest FMS van het Hof volgt dat in een terugkeerbesluit een land van terugkeer moet worden vermeld. De Afdeling heeft dit bevestigd in haar uitspraak van 2 juni 2021. Daarbij heeft de Afdeling geoordeeld dat de uitleg van het Hof ruimte biedt om bij meeromvattende beschikkingen die ook een terugkeerbesluit omvatten, uit de motivering van de beschikking het land van terugkeer af te leiden als dat ondubbelzinnig en onmiskenbaar daaruit blijkt.

In het besluit van 2 oktober 2018 is de nationaliteit van eiser vermeld (Algerijnse). Verder is vermeld dat dit besluit ook een terugkeerbesluit is en van rechtswege tot gevolg heeft dat betrokkene niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. In het besluit is niet is vermeld dat eiser terug moet keren naar zijn land van herkomst of naar een ander land buiten de EU waar zijn toelating is gewaarborgd. Evenmin is vermeld wat zijn land van herkomst, terugkeer of zijn geboorteland is. Uit de motivering van het besluit van 2 oktober 2018 kan ook niet ondubbelzinnig worden afgeleid wat het land van terugkeer is. Gelet hierop is het besluit van 2 oktober 2018 geen terugkeerbesluit waarop een maatregel van bewaring kon worden gebaseerd.

De minister kan het ten onrechte niet vermelden van een land van terugkeer in een eerder besluit herstellen door alsnog een terugkeerbesluit te nemen waarin hij wel vermeldt naar welk land de vreemdeling moet terugkeren. De minister heeft dit gedaan met het aanvullende terugkeerbesluit van 9 februari 2026. Uit het arrest FMS van het Hof volgt dat met het wijzigen van het in het terugkeerbesluit vermelde land van herkomst, een zo essentieel punt van het terugkeerbesluit wordt gewijzigd dat daarmee sprake is van een nieuw terugkeerbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank is ook sprake van een essentiële wijziging als een eerder terugkeerbesluit geen land van herkomst vermeldt en het aanvullende terugkeerbesluit wel. Het aanvullende terugkeerbesluit moet daarom als nieuw terugkeerbesluit worden aangemerkt.

In onderhavige zaak betekent dit dat de periode van bewaring van 14 mei 2019 tot 4 november 2019 niet wordt betrokken bij de berekening van de maximale bewaringsduur, omdat het bij deze bewaring ging om het uitvoeren van het terugkeerbesluit van 2 oktober 2018. De terugkeerverplichting in de door de rechtbank in deze zaak te toetsen maatregel van bewaring is gebaseerd op het besluit van 9 februari 2026, waarbij het terugkeerbesluit van 2 oktober 2018 is aangevuld. Dat betekent dat enkel de perioden van bewaring van 9 februari 2026 tot 4 maart 2026 en die van onderhavige bewaring meetellen. De zes maandentermijn (180 dagen) waarbij de minister gehouden is om een verlengingsbesluit te nemen, is daarom op dit moment nog niet verstreken. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Grondslag

7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Op 9 februari 2026 is aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit uitgereikt. Eiser heeft Nederland sindsdien niet verlaten. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

8. De minister heeft lichte grond 4e op de zitting laten vallen.

De rechtbank stelt vast dat eiser alleen de lichte grond 4f heeft betwist. Ten aanzien van de overige zware en lichte gronden ziet de rechtbank ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de lichte grond 4f daarom onbesproken.

Lichter middel

9. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister ook de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. Door de minister is eiser erop gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is. De rechtbank is ook overigens niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling aangegeven dat hij in Frankrijk een echtgenote en twee kinderen heeft, maar de minister heeft van belang mogen achten dat eiser dit niet met documenten heeft onderbouwd en ook onvoldoende heeft geconcretiseerd.

Voortvarendheid

10. Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Zo heeft de minister de (sinds 16 februari 2026 lopende) lp-aanvraag op 26 mei 2026 aangevuld met kopieën van eisers rijbewijs, identiteitskaart en geboorteakte. Daarnaast heeft de minister op 15 mei 2026 en 4 juni 2026 schriftelijk gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Ook heeft er op 6 mei 2026 en 20 mei 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden.

Zicht op uitzetting

11. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij allereerst voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. Ook zijn er geen aanknopingspunten dat Algerije geen lp binnen een redelijke termijn aan eiser zou kunnen verstrekken. Juist op basis van de door eiser overgelegde kopiedocumenten is niet uitgesloten dat de Algerijnse autoriteiten sneller zullen overgaan tot het verlenen van een lp.

Het arrest Adrar

12. Uit het Unierecht volgt, en zoals het Hof dit in het arrest van 4 september 2025 in de zaak Adrar heeft verduidelijkt, dat de bewaringsrechter, zo nodig ambtshalve, moet nagaan of de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de uitvoering van het terugkeerbesluit. De Afdeling is in de uitspraak van 12 februari 2026 ingegaan op de gevolgen van het arrest Adrar voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter moet beoordelen of de minister op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet.

De rechtbank stelt vast dat de minister op pagina 5 van het bestreden besluit heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van eiser verzet. De minister heeft overwogen dat eisers verklaring, namelijk dat hij in Algerije een gevangenisstraf van twintig jaar moet uitzetten, geen reden is om niet terug te kunnen keren naar Algerije. De minister heeft hiervoor van belang geacht dat Algerije wordt gezien als een veilig land van terugkeer. Anders dan eiser meent heeft de minister hiermee voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat vanwege het beginsel van non-refoulement moet worden afgezien van de uitzetting van eiser. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eiser tweemaal een asielaanvraag heeft ingediend, maar vervolgens niet is verschenen bij het gehoor en met onbekende bestemming is vertrokken. De minister leidt hieruit af dat het voor eiser kennelijk niet mogelijk is zijn asielaanvraag te onderbouwen, hetgeen betekent dat van een refoulement-risico geen sprake is. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel in dat kader onrechtmatig is. Dat de refoulementbeoordeling heeft plaatsgevonden in het kader van de afweging of een lichter middel toegepast moet worden en de minister in het bestreden besluit niet expliciet heeft verwezen naar het beginsel van non-refoulement, doet daar niet aan af.

Conclusie

13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Sibma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand