uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam] , opposant
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: H. Postma),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 november 2025 in het geding tussen
opposant
en
de Minister van Asiel en Migratie, geopposeerde
(gemachtigde: J. Kai Kai)
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 24 november 2025, waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank heeft het verzet op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van opposant en gemachtigde van geopposeerde.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 24 november 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant richtte zich tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van 16 oktober 2023. Op 2 september 2025 heeft opposant de minister in gebreke gesteld. Vervolgens heeft de minister niet binnen twee weken beslist.
De uitspraak van 24 november 2025
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat is toegestaan wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de ingebrekestelling prematuur was.
Gronden verzet
6. De opposant stelt dat de rechtbank het beroep ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaarde. De ingebrekestelling is niet-prematuur ingediend en het beroep is ontvankelijk.
7. Ten eerste stelt opposant dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar jurisprudentie van de Afdeling over een nieuwe beslistermijn van zes maanden na een gegrond beroep. Volgens opposant is de jurisprudentie niet van toepassing, omdat deze ziet op een niet-asielrechtelijke bezwaarprocedure.
8. Daarnaast voert opposant aan dat de rechtbank heeft miskend dat het Unierecht voorgaat boven nationaal recht. Volgens opposant had de rechtbank artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU) moeten toepassen. In dat artikel staat dat een asielprocedure uiterlijk binnen 21 maanden na de aanvraag moet zijn afgerond.
Volgens opposant gaat deze bepaling voor op artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 en op de uitleg die de Afdeling daaraan geeft over een nieuwe beslistermijn van zes maanden na een gegrond beroep. Opposant wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020, waarin is overwogen dat de rechter geen onnodig lange nadere termijn stelt en in ieder geval de maximale termijn van 21 maanden in acht neemt. Volgens opposant was die maximale termijn in dit geval al verstreken op 27 december 2024. Daarom is het volgens hem onrechtmatig dat na de vernietiging van het besluit bij uitspraak van 28 mei 2025 opnieuw een beslistermijn van zes maanden is gehanteerd.
9. Tenslotte voert opposant aan dat op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb een nadere beslistermijn van vier weken redelijk is. Volgens opposant heeft geopposeerde op 28 november 2025 al een nieuw voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag uitgebracht. Verweerder heeft daarom volgens opposant voldoende tijd gehad om een zorgvuldig besluit te nemen.
Beoordeling verzet
10. De rechtbank stelt vast dat het eerdere oordeel, dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was, niet buiten redelijke twijfel stond. Bij de beoordeling van de beslistermijn is onvoldoende rekening heeft gehouden met het Unierechtelijke kader, waaronder artikel 31, vijfde lid, van Richtlijn 2013/32/EU, en de daarop betrekking hebbende jurisprudentie van de Afdeling.
Conclusie en gevolgen
11. Uit de beoordeling van de gronden van het verzet volgt dat de rechtbank in de
uitspraak van 24 november 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was en de zaak daarom ten onrechte zonder zitting afgedaan. Het verzet is gegrond.
12. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb tevens uitspraak te doen op het beroep. Verweerder heeft namelijk op 2 februari 2026 een niet-inwilligend besluit genomen, waartegen een inhoudelijk beroep aanhangig is. Gelet hierop zal de rechtbank in deze verzet procedure geen inhoudelijk oordeel geven over het beroep.
13. De rechtbank zal in de eind uitspraak op het beroep oordelen over de in deze
verzet procedure gemaakte proceskosten.
Beslissing
De rechtbank;
- Verklaart het verzet gegrond;
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: