Vervangende toestemming erkenning
Beschikking op het op 3 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden (voorheen mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Rosendaal).
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman te Leiderdorp,
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2025 te [geboorteplaats 1] ,
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. D.G.M. van den Hoogen,
advocaat te Leiden , in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
Op 30 maart 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij de minderjarige kan erkennen, met benoeming van een bijzondere curator ten behoeve van de minderjarige.
De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt voorwaardelijk – in het geval dat de rechtbank het geven van vervangende toestemming voor erkenning overweegt –: te bepalen dat de Raad onderzoek zal doen naar de situatie uit het verleden die heeft geleid tot het weigeren van het onder toezicht stellen van en het weigeren van de erkenning en de omgang met de andere oudere biologische kinderen van partijen, alsmede dat in dit onderzoek wordt geadviseerd over de vraag of deze feiten en omstandigheden zich nog steeds voordoen of dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn, die leiden tot de aanwezigheid van één van de uitzonderingsgronden van artikel 1:204 lid 3 BW.
Feiten
Hoogen voornoemd benoemd tot bijzondere curator om de minderjarige ingevolge
artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Hoewel de moeder aanvankelijk aangaf geen twijfels te hebben over het verwekkerschap van de man, heeft zij op de zitting kenbaar gemaakt dat zij toch niet zeker weet of de man de verwekker is van [minderjarige] . Voordat de rechtbank beslist over de vervangende toestemming voor erkenning, moet hierover duidelijkheid komen. Een DNA-onderzoek is hiervoor het meest passende middel. Beide partijen hebben zich op de zitting bereid verklaard om mee te werken aan een dergelijk onderzoek.
Uit de berichten die de rechtbank na de zitting van partijen heeft ontvangen, volgt dat zij de voorkeur geven aan een DNA-onderzoek via de huisarts boven een test via Verilabs, vanwege de lagere kosten. De huisarts van de vrouw, [naam 2] van [naam praktijk] , gevestigd aan de [adres] te [plaats] , heeft zich bereid verklaard om de DNA-test af te nemen. De rechtbank zal partijen de opdracht geven om het DNA-onderzoek via genoemde huisarts te laten uitvoeren. Partijen zullen een DNA-kit bestellen via DNA-Center.com. Zij zullen de kosten hiervan 50/50 delen.
De rechtbank zal de behandeling van het verzoek pro forma aanhouden in afwachting van de rapport met de uitkomst van het DNA-onderzoek. Hieruit moet in ieder geval ook blijken:
Indien uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de verwekker is van [minderjarige] , verlangt de rechtbank van de bijzondere curator dat zij opnieuw met de moeder spreekt en een nadere rapportage indient.
Beslissing
De rechtbank:
draagt partijen op om een DNA-onderzoek te laten uitvoeren dat voldoet aan de eisen zoals in deze beschikking staan omschreven en bepaalt dat de vrouw uiterlijk vier weken vóór de na te noemen pro forma datum een rapport overlegt van onderzoek naar het DNA van:
waarbij het onderzoek wordt verricht door de huisarts van de vrouw, [naam 2] (BIG [nummer] ) van [naam praktijk] , gevestigd aan de [adres] te [plaats] ;
bepaalt dat de man en de bijzondere curator uiterlijk twee weken voor genoemde pro forma datum zullen kunnen reageren;
bepaalt dat indien de vrouw aan het hierbij bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan;
bepaalt dat de behandeling van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt aangehouden tot 1 augustus 2026 pro forma;