RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29923
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
Procesverloop
Verweerder heeft op 1 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Bij besluit van 28 mei 2026 heeft verweerder de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd, ingaande op 30 mei 2026.
Eiser heeft tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer H. Lofti. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding en juridisch kader
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Via artikel 94, zevende lid, eerste volzin, van die wet geldt hetzelfde voor het verlengingsbesluit. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt verder op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
3. Verweerder moet in het verlengingsbesluit conform het beleid van paragraaf A5/6.8 van de Vc nagaan of er is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging zoals opgenomen in artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende gemotiveerd is, wordt hiermee voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit.
De voorwaarden voor de verlenging
4. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet meewerkt aan zijn verwijdering. In dit verband stelt eiser dat hij weliswaar niet heeft meegewerkt aan een presentatie in persoon bij de Algerijnse autoriteiten op 13 mei 2026, maar dat hij daarvoor een goede reden had. De Algerijnse autoriteiten hebben namelijk niet de juiste NAW-gegevens gebruikt bij de uitnodiging voor deze presentatie. Aangezien hij niet de persoon is die werd vermeld, dacht eiser dat hij niet mee hoefde te werken aan de hiervoor genoemde presentatie.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het verlengingsbesluit voldoende toegelicht dat eiser niet meewerkt aan zijn verwijdering. Eiser moet Nederland verlaten en naar Algerije terugkeren. Dit brengt onder andere met zich mee dat hij zijn volledige medewerking moet verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, en de afgifte van een lp. In dat verband is eiser uitgenodigd voor een presentatie in persoon bij de Algerijnse autoriteiten op 13 mei 2026, waar hij echter niet is verschenen. De rechtbank is – anders dan eiser – van oordeel dat dit wel aan eiser kan worden tegengeworpen. De stelling van eiser dat de Algerijnse autoriteiten onjuiste NAW-gegevens hebben gebruikt, is namelijk niet nader onderbouwd. Ook is niet gesteld noch gebleken dat eiser hierover navraag heeft gedaan bij de Algerijnse autoriteiten. Bovendien was de geplande presentatie bij uitstek het middel om aan de Algerijnse autoriteiten voor te leggen dat de door hen gebruikte NAW-gegevens niet op eiser zien. Verweerder heeft dan ook van eiser mogen verwachten dat hij mee zou werken aan de presentatie in persoon op 13 mei 2026. Nu eiser dit niet heeft gedaan, is de lp-aanvraag schriftelijk in behandeling genomen. Op grond daarvan hebben de Algerijnse autoriteiten weliswaar op 16 mei 2026 te kennen gegeven een vervangend reisdocument voor eiser af te geven, maar verweerder was ten tijde van het verlengingsbesluit nog in afwachting van de daadwerkelijke afgifte van dit reisdocument. Verder heeft verweerder ook in aanmerking kunnen nemen dat eiser voor het overige ook geen aantoonbare activiteiten heeft ondernomen om zijn terugkeer te realiseren.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat in het geval van eiser wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de maatregel van bewaring. De beroepsgrond slaagt niet.
De gronden die aan het verlengingsbesluit ten grondslag liggen
5. In het verlengingsbesluit staat dat eiser op 1 december 2025 in bewaring is gesteld, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en/of omdat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Aan het verlengingsbesluit zijn, met uitzondering van de zware grond 3f, dezelfde zware en lichte gronden ten grondslag gelegd als aan de maatregel van bewaring van 1 december 2025.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan het verlengingsbesluit ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden het verlengingsbesluit dragen.
Redelijk vooruitzicht op verwijdering
6. Eiser voert aan dat het verlengingsbesluit in strijd met het arrest Adrar is, omdat verweerder in dit besluit maar één korte zin heeft opgenomen over het reële risico op een schending van het beginsel van non-refoulement. Eiser stelt dat verweerder hiermee niet heeft beoordeeld of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die maken dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. In dit verband voert eiser aan dat hij eerder al asiel heeft aangevraagd en om die reden niet kan terugkeren naar Algerije. Eiser stelt zich dan ook op het standpunt dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is.
In het arrest Adrar heeft het Hof – voor zover relevant – voor recht verklaard dat de bewaringsrechter verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de verwijdering.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het verlengingsbesluit – voor zover relevant – heeft overwogen dat niet gebleken is dat het beginsel van non-refoulement zicht verzet tegen eisers verwijdering. Hoewel de minister niet expliciet heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die maken dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een door artikel 4 van het Handvest verboden behandeling, is de rechtbank van oordeel dat verweerder kon volstaan met deze motivering. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser tijdens meerdere vertrekgesprekken – laatstelijk op 18 mei 2025 – heeft aangegeven dat hij wel terug wil keren naar Algerije, maar niet vanuit vreemdelingenbewaring. Daar komt bij dat eiser geen zienswijze, waarin eiser kon aangegeven dat zijn verwijdering in strijd is met het beginsel van non-refoulement, heeft ingediend tegen het voornemen om hem een verlengingsbesluit op te leggen. Onder deze omstandigheden mocht verweerder concluderen dat er geen concrete aanknopingspunten aanwezig waren voor het vermoeden dat eiser bij terugkeer een risico loopt op een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest. Ook op zitting heeft eiser niet aangegeven dat en waarom hij vreest bij terugkeer voor een dergelijke behandeling. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Belangenafweging
7. Eiser voert aan dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, omdat hij al voor een langere periode in bewaring zit. Dat hij niet heeft meegewerkt aan de eerdergenoemde presentatie in persoon, is volgens eiser onvoldoende voor de conclusie dat het belang van verweerder bij het voortduren van de bewaring zwaarder weegt dan zijn belang om in vrijheid te worden gesteld.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Als een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en verweerder voortvarend werkt aan de verwijdering, is de duur van de bewaring een element dat bij de belangenafweging moet worden betrokken. Naarmate de bewaring voortduurt, wordt het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld groter. Als de maatregel langer duurt dan zes maanden, kan deze toch voortduren als sprake is van bijkomende omstandigheden, zoals frustratie van het onderzoek door de vreemdeling, passief of actief. Uit wat hiervoor onder 4.1 is overwogen, volgt dat eiser niet alle medewerking verleent aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Daar komt bij dat – zoals tijdens de zitting is gebleken – er een vlucht voor eiser naar Algerije op 17 juni 2026 is gepland. De hiervoor genoemde omstandigheden leiden de rechtbank dan ook tot de conclusie dat aan het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toets
8. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat (het voortduren en verlengen van) de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Conclusie
9. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af..
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier.De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist over het verlengingsbesluit hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist over het voortduren van de bewaring geen rechtsmiddel open.