ECLI:NL:RBDHA:2026:16264

ECLI:NL:RBDHA:2026:16264

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-06-2026
Datum publicatie 17-06-2026
Zaaknummer NL26.30331
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2026:4704

Samenvatting

Beroep tegen de maatregel van bewaring. Aan de voorwaarden om een maatregel van bewaring op te leggen is voldaan. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.30331

(gemachtigde: mr. M. Pater),

en

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft door middel van een door hem ondertekende afstandsverklaring, afstand gedaan van het recht om te worden gehoord. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002.

De gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser heeft de zware gronden 3a, 3b en 3i gemotiveerd betwist.

De rechtbank overweegt – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 – dat voor het opleggen van (onder meer) de zware gronden 3a en 3b enkel is vereist dat die gronden feitelijk juist zijn, en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven. Dit betekent dat als de gronden feitelijk juist zijn, het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken is gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de stelling dat de zware grond 3a hem niet kan worden tegengeworpen omdat hij een asielzoeker is, de feitelijke juistheid van deze grond niet bestreden. Verweerder heeft deze grond terecht tegengeworpen, nu eiser niet in het bezit is van een geldig grensoverschrijdingsdocument. Hieraan kan namelijk het vermoeden worden verbonden dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Verder overweegt de rechtbank dat ook de zware grond 3b feitelijk juist is. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser zich heeft gemeld voor het indienen van een asielaanvraag. Maar uit het dossier blijkt ook dat eiser meerdere keren in een vrijheidsbeperkende locatie (HTL) is geplaatst, deze maatregelen zijn opgeheven omdat eiser vrijwillig van opvang afzag en eiser daarna met onbekende bestemming uit de opvang is vertrokken. Hieruit volgt dat eiser zich meerdere periodes aan het toezicht heeft onttrokken, zodat verweerder de zware grond 3b terecht aan eiser heeft tegengeworpen.

Gelet op het vorenstaande zijn de zware gronden 3a en 3b terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Deze zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen. De zware grond 3i behoeft daarom geen bespreking meer.

Lichter middel

3. Eiser voert aan dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. In dit verband stelt eiser dat hij zelfstandig naar Turkije wil terugkeren en dit vanuit een vrijheidsbeperkende locatie wil regelen. Hij moet namelijk een nieuw paspoort aanvragen, waarbij zijn broer hem zou kunnen helpen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich – gelet op de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden en de motivering daarvan – terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval sprake is van een risico op onttrekking en dat geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Daarbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eiser zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken. Daarnaast heeft verweerder van belang kunnen vinden dat eiser tijdens het vertrekgesprek van 28 mei 2026 wisselend heeft verklaard over of hij al dan niet wil terugkeren naar Turkije. Ook is niet gebleken dat eiser inmiddels de hulp van zijn broer bij het verkrijgen van een nieuw paspoort heeft ingeschakeld. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het feit dat eiser hulp nodig heeft om te kunnen vertrekken afbreuk doet aan de stelling van eiser dat hij op korte termijn zelfstandig zal vertrekken. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder niet hoeven volstaan met een lichter middel.

Ambtshalve toets

4. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van

mr. K.I. Legendal - Moesker, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.M. van Veelen

Griffier

  • mr. K.I. Legendal - Moesker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand