[eiseres], eiseres, V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Imminga),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder(gemachtigde: mr. M. van Laarhoven).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet op tijd beslissen op haar aanvraag door verweerder.
Verweerder heeft op 9 oktober 2025 gereageerd op het beroep met een verweerschrift.
Op 26 november 2025 heeft de rechtbank ter voorbereiding op de zitting schriftelijk een aantal vragen aan partijen voorgelegd.
Partijen hebben voor de zitting schriftelijke reacties ingediend op deze vragen.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. A.T. Bosman, als waarnemer voor de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1974 en heeft de Syrische nationaliteit. Zij is in het bezit van een asielvergunning en wil graag met haar dochter herenigd worden. Zij heeft daarom een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend voor haar dochter (en de echtgenoot van haar dochter) in het kader van gezinshereniging asiel op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft tot nu toe niet beslist op deze aanvraag. Eiseres heeft daarom een beroep niet-tijdig beslissen ingediend.
Wat vinden partijen in beroep?
3. Eiseres voert kortgezegd aan dat de beslistermijn is verstreken en dat haar beroep daarom gegrond is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de ingebrekestelling van eiseres op een onjuiste manier is ingediend en daarom ongeldig is. Volgens verweerder zou het beroep daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Voor de leesbaarheid van de uitspraak gaat de rechtbank onder het kopje “Wat is het oordeel van de rechtbank?” verder in op wat partijen hebben aangevoerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat verweerder te laat is met beslissen, omdat de beslistermijn al is verstreken. Partijen zijn het echter oneens over de geldigheid van de ingediende ingebrekestelling. Daarbij zijn met name twee punten van belang: 1) de manier waarop de ingebrekestelling is ingediend en 2) de ontvangstbevestiging die verweerder heeft verstuurd. De rechtbank gaat daar hieronder op in.
Waarover zijn partijen het eens?
5. De rechtbank stelt hieronder eerst de onbetwiste feiten en omstandigheden vast.
In beginsel moet een ingebrekestelling per post worden ingediend. Maar een
ingebrekestelling kan ook worden gedaan langs elektronische weg. Dit staat in artikel 2:15, eerste lid, van de Awb. Dat mag alleen als het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat die weg daarvoor is opengesteld. Dat heeft verweerder in dit geval gedaan. Een bestuursorgaan mag ingevolge artikel 2:15, eerste lid, van de Awb eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg. Partijen zijn het erover eens dat die elektronische weg in dit geval bestaat uit de webpagina van verweerder www.ind.nl/nl/na-uw-aanvraag/uw-stukken-opsturen via welke veilig kan worden gemaild. Deze zelfde pagina wordt ook bereikt via de volgende webadressen: www.ind.nl/stukken-opsturen en www.ind.nl/veiligmailen.
Op de hiervoor genoemde webpagina staan vier categorieën stukken met elk hun
eigen doorzendknop naar het veilig mailen:
Optie 1: Stukken voor een ingebrekestelling
Optie 2: Stukken voor een bezwaarzaak
Optie 3: Overige stukken
Optie 4: Medische stukken
Elke optie leidt naar een afzonderlijk e-mailadres en de ingekomen mailberichten komen aan de hand hiervan terecht in te onderscheiden postsoorten.
Eiseres heeft haar ingebrekestelling ingediend via de webpagina van verweerder www.ind.nl/nl/na-uw-aanvraag/uw-stukken-opsturen. Omdat zij op een verkeerde doorzendknop heeft gedrukt en via die weg haar ingebrekestelling heeft ingediend, is de ingebrekestelling bij verweerder binnengekomen op het e-mailadres uw.stukken.opsturen@ind.nl. Dat is niet het e-mailadres dat is bedoeld voor het ontvangen van ingebrekestellingen. Als eiseres de juiste doorzendknop had geselecteerd, was haar ingebrekestelling namelijk binnengekomen op het e-mailadres ingebrekestelling@ind.nl.
Na indiening van de ingebrekestelling op 5 juni 2025 heeft verweerder op 11 juni 2025 een ontvangstbevestiging naar eiseres opgestuurd. Daarin staat onder meer:
“U hebt bij de IND een aanvraag, verzoek of bezwaarschrift ingediend. U hebt op 5 juni 2025 laten weten dat de IND daar niet op tijd op heeft beslist. Dit is een ingebrekestelling. Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw ingebrekestelling.
Een ingebrekestelling moet worden ingediend per post of via ‘veilig mailen’ op ind.nl.
Hebt u dit via een andere weg gedaan? Dan is deze niet geldig en neemt de IND hem niet in behandeling. U kunt de procedure voor het juist indienen van een IGS vinden op
ind.nl/beslissing-te-laat.”
Standpunten van partijen over de indiening en de ontvangstbevestiging
Verweerder stelt zich op het standpunt dat door de onjuiste indieningswijze sprake is van een ongeldige ingebrekestelling. Op de website staat volgens verweerder duidelijk omschreven op welke manier ingebrekestellingen ingediend moeten worden en dat heeft eiseres op een onjuiste wijze gedaan. Verweerder heeft er bewust voor gekozen om het indienen van stukken te categoriseren, onder meer zodat ingebrekestellingen snel onderkend worden en geen vertraging veroorzaken bij de verwerking van andere categorieën stukken. De verstuurde ontvangstbevestiging maakt de conclusie volgens verweerder niet anders. In de ontvangstbevestiging wordt namelijk verwezen naar de website en hoe de ingebrekestelling juist ingediend moet worden.
Eiseres erkent dat zij de ingebrekestelling via de verkeerde doorzendknop heeft ingediend. Dit is volgens haar echter onvoldoende om te concluderen dat de ingebrekestelling ongeldig is. Een ander oordeel betekent volgens eiseres dat zij onevenredig belemmerd wordt in haar toegang tot de rechter. In dat kader doet eiseres een beroep op het doeltreffendheidsbeginsel en op de Unierechtelijke beginselen van processuele autonomie en het recht op een effectief rechtsmiddel. Eiseres vindt de ontvangstbevestiging ook van groot belang. Volgens eiseres blijkt daaruit onvoldoende duidelijk dat haar ingebrekestelling ongeldig is, omdat het om een algemeen bericht gaat dat in alle zaken verstuurd wordt. Zij doet daarbij een beroep op artikel 2:15, vierde lid, van de Awb en betoogt dat verweerder het in de ontvangstbevestiging expliciet moet vermelden als de ingebrekestelling op een onjuiste manier is ingediend.
Het oordeel van de rechtbank over de indieningswijze en ontvangstbevestiging
De rechtbank acht het niet onredelijk dat verweerder voor het indienen van stukken onderscheid maakt naar het soort stuk dat wordt ingediend en daarvoor aparte digitale stromen toepast. Verweerder mag op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb ook nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg. Deze werkwijze stelt verweerder in staat om stukken efficiënter te verwerken. De rechtbank ziet met name in dat het zowel voor verweerder als voor aanvragers onwenselijk is als een deel van het zeer grote aantal ingebrekestellingen in onjuiste digitale stromen terechtkomt. Dit zal tot een langere verwerkingstijd leiden voor ingediende stukken en daardoor niet bijdragen aan snellere besluitvorming.
Uit de betreffende webpagina van verweerder blijkt verder overduidelijk op welke manier een ingebrekestelling moet worden ingediend. Zo kan worden gekozen voor “Stukken voor een ingebrekestelling” waarbij de aanvrager wordt doorgeleid naar de webpagina met de juiste doorzendknop. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich met deze werkwijze dan ook niet te formalistisch op. Van een onevenredige belemmering dan wel strijd met de door eiseres aangehaalde andere rechtsbeginselen is dan ook geen sprake.
Het voorgaande neemt echter niet weg dat het aan verweerder is om het zo spoedig mogelijk aan de afzender mee te delen als hij een ingebrekestelling weigert omdat deze niet aan de gestelde eisen voor indiening voldoet. De rechtbank is van oordeel dat de verstuurde ontvangstbevestiging onvoldoende duidelijk is om te spreken van een dergelijke weigering. De rechtbank vindt daarbij allereerst van belang dat in elke zaak dezelfde algemene ontvangstbevestiging wordt gestuurd. Aan de ontvangstbevestiging zelf is dus niet te zien of de ingebrekestelling is geweigerd. Dit leidt naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet automatisch tot het oordeel dat sprake is van een onvoldoende duidelijke weigering, maar dan is wel van belang dat voor de afzender duidelijk moet kunnen zijn dat de ingebrekestelling ongeldig is. Met de huidige standaard ontvangstbevestiging is daarvan echter geen sprake. Hiervoor is het volgende van belang. In de bevestiging staat een kopje met de tekst “Een ingebrekestelling moet worden ingediend per post of via ‘veilig mailen’ op ind.nl” (het dikgedrukte kopje uit rechtsoverweging 5.4.). Onder deze tekst staat “Hebt u dit via een andere weg gedaan? Dan is deze niet geldig en neemt de IND hem niet in behandeling”. De rechtbank is van oordeel dat hiermee onvoldoende duidelijk is voor eiseres dat haar ingebrekestelling onjuist is ingediend. Zij heeft haar ingebrekestelling namelijk via veilig mailen ingediend, volgens het kopje uit de bevestiging dus op de juiste manier. Het enkele feit dat in de laatste zin van deze alinea staat “U kunt de procedure voor het juist indienen van een ingebrekestelling vinden op ind.nl/beslissing-te-laat” is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet om tot een ander oordeel te komen.
De rechtbank komt op basis van het voorgaande dan ook tot het oordeel dat verweerder zich in dit geval ten onrechte op het standpunt stelt dat de ingebrekestelling ongeldig is. Nu eiseres een geldige ingebrekestelling heeft ingediend en tenminste twee weken heeft gewacht voordat zij haar beroep instelde, is het beroep ontvankelijk en gegrond.
De nadere beslistermijn
Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Daarbij moet de rechtbank een beslistermijn geven. In het kader van de op te leggen nadere beslistermijn heeft de rechtbank partijen vooraf ook een aantal vragen voorgelegd. De rechtbank gaat daar hieronder kort op in.
Eiseres heeft een mvv-aanvraag ingediend. Mvv-aanvragen die worden gedaan met het doel om bij familie in Nederland te mogen verblijven, kunnen in drie groepen worden onderscheiden:
- De eerste groep bestaat uit mvv-aanvragen in het kader van nareis. Hiervan kan alleen sprake zijn als de referent een statushouder is;
De tweede groep bestaat uit mvv-aanvragen in het kader van asiel gezinshereniging op grond van artikel 8 van het EVRM. Hiervan kan alleen sprake zijn als de referent een statushouder is, maar de vreemdeling niet in aanmerking komt voor nareis;
De derde groep bestaat uit mvv-aanvragen in het kader van reguliere gezinshereniging op grond van artikel 8 van het EVRM. Hiervan is sprake als de referent geen statushouder is.
In het kader van de op te leggen nadere beslistermijn zijn de laatste jaren voor mvv-aanvragen in het kader van nareis duidelijke uitgangspunten ontstaan in de jurisprudentie. Dit heeft onder meer te maken met de grote instroom en voorraad van het aantal nareiszaken en de daarop volgende beroepen niet-tijdig beslissen. Verweerder heeft onder andere het “first in, first out”-principe (fifo) geïntroduceerd in een poging om deze zaakstroom het hoofd te bieden.
De rechtbank heeft verweerder vragen gesteld over de drie verschillende soorten aanvragen zodat zij, indien een nadere beslistermijn opgelegd zou moeten worden, voldoende geïnformeerd tot een geschikte nadere beslistermijn kan komen.
Uit de schriftelijke reactie van verweerder maakt de rechtbank op dat in de praktijk alleen maar onderscheid wordt gemaakt tussen gezinshereniging met een statushouder en gezinshereniging met niet-statushouders. Zo geldt het fifo-principe zowel voor nareiszaken als voor asiel gezinshereniging op grond van artikel 8 van het EVRM en worden deze zaken ook door dezelfde medewerkers behandeld en afgedaan. Voor de derde groep mvv-aanvragen geldt dat niet.
Het voorgaande maakt dat de rechtbank geen aanleiding ziet om voor de tweede groep mvv-aanvragen af te wijken van de uitgangspunten die in de jurisprudentie zijn ontstaan voor mvv-aanvragen in het kader van nareis. De rechtbank zal deze uitgangspunten dan ook toepassen in de zaak van eiseres. Deze uitgangspunten zijn:
Verweerder maakt – als geen van de hieronder genoemde omstandigheden aan de orde is – in beginsel binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend;
Verweerder maakt binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend als hij gelegenheid tot herstel van verzuimen biedt;
Verweerder maakt binnen zestien weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend als hij nader onderzoek in de vorm van een identificerend gehoor of DNA-onderzoek aanbiedt;
Verweerder maakt binnen twintig weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend als hij zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek biedt.
Bij de voorgaande uitgangspunten is van belang om op te merken dat de beslistermijn alleen langer dan vier weken is als verweerder gelegenheid biedt tot herstel van verzuimen of nader onderzoek aanbiedt. Van belang is dat voor de duur van de beslistermijn doorslaggevend is welke stappen verweerder na de uitspraak van de rechtbank daadwerkelijk zet.
In hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de op te leggen nadere beslistermijn ziet de rechtbank, gelet op de aangehaalde jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter, geen aanleiding om te volstaan met een nadere beslistermijn van twee weken.
Dwangsom en proceskosten
6. De rechtbank bepaalt ook dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.
7. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen, omdat verweerder na de ingebrekestelling niet tijdig een besluit op de aanvraag heeft genomen. Uit het nieuwe artikel 71b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) volgt echter dat verweerder geen bestuurlijke dwangsom verbeurt bij besluiten ten aanzien van aanvragen op grond van de Vw 2000. Alhoewel deze bepaling nog niet bestond ten tijde van de aanvraag van eiseres, is deze bepaling wel van toepassing in haar zaak. Doorslaggevend hiervoor is het feit dat de ingebrekestelling van eiseres is ingediend toen artikel 71b van de Vw 2000 al in werking was getreden. Het verzoek om de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen, zal de rechtbank dan ook afwijzen.
8. Gelet hierop is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 1401,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor de schriftelijke reactie op het verzoek van de rechtbank, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 omdat de zaak van licht gewicht is).
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.