[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.W.V. Stevens en mr. A. Al-Edani).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
Eiser heeft op 31 augustus 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 10 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
Verweerder heeft op 13 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder deelgenomen. Als tolk was aanwezig M.A. Budak.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2004. Hij heeft – kort samengevat – het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is van Koerdische afkomst en was lid van de HDP. Hij werd vals beschuldigd van het verspreiden van propaganda voor de PKK. Nadat deze aanklacht werd gepubliceerd is eiser ondergedoken bij een familielid, waarna hij Turkije met behulp van een smokkelaar heeft verlaten. Na zijn vertrek hebben de autoriteiten bij zijn vader naar hem gevraagd en is zijn ouderlijk huis doorzocht. Bij terugkeer vreest eiser een lange gevangenisstraf vanwege de aanklacht. Naast deze problemen wil eiser de dienstplicht niet vervullen vanwege gewetensbezwaren.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
Verweerder vindt het eerste en tweede asielmotief geloofwaardig. Dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege zijn deelname aan een demonstratie vindt verweerder niet geloofwaardig. Eisers verklaringen over dit asielmotief vormen volgens verweerder namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd omdat hij meerdere juridische documenten heeft overgelegd die negatief zijn beoordeeld op echtheid. Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft de geloofwaardig geachte asielmotieven een vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Turkije. Verweerder wijst de asielaanvraag daarom af als ongegrond en legt aan eiser een terugkeerbesluit op.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Ten onrechte is het bestreden besluit niet ondertekend. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2023. Verweerder heeft daarnaast nagelaten een vertaling van het terugkeerbesluit te verstrekken. Verder heeft verweerder ten onrechte niet kenbaar vermeld wat het referentiekader van eiser is. Die verplichting volgt volgens eiser uit vaste rechtspraak van de Afdeling van 26 april 2023, Werkinstructie 2024/6 en artikel 4, derde lid, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
Verder is verweerder ten onrechte niet inhoudelijk ingegaan op eisers opmerkingen en vragen over het gebruik van AI bij de totstandkoming van het rapport van Bureau Documenten. Ter onderbouwing verwijst eiser naar enkele uitspraken. Ook heeft er geen tactisch en technisch onderzoek plaatsgevonden naar de documenten en blijkt uit het rapport niet welke afwijkingen er zouden zijn geconstateerd. Ten aanzien van de vergewisplicht voert eiser aan dat verweerder, in strijd met het eigen beleid, heeft nagelaten het rapport van TOELT bij de besluitvorming te betrekken. Tot slot had verweerder op grond van WI 2022/22 een rapport over de beoordeling van de documenten moeten opstellen en aan eiser moeten overleggen.
Voor wat betreft de problemen vanwege de deelname aan de demonstratie voert eiser aan dat verweerder de overgelegde documenten die zijn beoordeeld als niet-juist niet bij de besluitvorming had mogen betrekken. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waaruit blijkt dat eiser summier zou hebben verklaard over de demonstratie. Daarnaast onderbouwen eisers uitgebreide en correcte verklaringen over de HDP zijn lidmaatschap. Verder heeft verweerder nagelaten eiser in het voornemen te confronteren met zijn verklaringen over dat er bij zijn vader naar hem zou zijn gevraagd. Hierdoor heeft eiser hier pas in beroep op kunnen reageren. Tot slot heeft eiser niet ongerijmd verklaard over de uitreis. Eiser kon niet weten in hoeverre het uitreisverbod bekend was gemaakt en of dit tot problemen zou leiden.
Ten aanzien van de vrees bij terugkeer voert eiser aan dat hij wel degelijk onoverkomelijke en zwaarwegende gewetensbezwaren heeft tegen de dienstplicht. Ook is het niet mogelijk de dienstplicht geheel af te kopen. Ten aanzien van de politieke overtuiging betoogt eiser dat deze ten onrechte ongeloofwaardig is bevonden. Bovendien heeft verweerder niet inzichtelijk getoetst aan zijn eigen beleid omtrent politieke overtuigingen en dit beleid in het voornemen niet kenbaar betrokken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Is het bestreden besluit gebrekkig omdat het niet is ondertekend?
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het besluit een gebrek bevat omdat het niet is ondertekend. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2023 volgt dat een besluit kenbaar en toetsbaar moet zijn. De vreemdeling moet kunnen controleren of het besluit door een bevoegd persoon is genomen. De Afdeling heeft in bovengenoemde uitspraak geoordeeld dat dat in die zaak niet mogelijk was omdat de handtekening onder het bestreden besluit ontbrak. In dit geval is het voor eiser wel degelijk mogelijk om te controleren of het besluit door een bevoegd persoon is genomen. Onderaan het bestreden besluit staat immers de naam van de beslismedewerker die het besluit genomen heeft. Daarnaast staat in het colofon van het besluit dat de beslismedewerker werkzaam is bij de Directie Asiel & Bescherming Schiphol, team A&B Schiphol. Ook zonder handtekening is het besluit dus voldoende kenbaar en toetsbaar voor eiser. Daarbij komt dat sprake is van een afdoeningsmandaat in de zin van artikel 10:1 van de Awb. In die situatie is ondertekening niet verplicht. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het referentiekader onjuist of onvolledig vastgesteld?
7. Voor zover eiser stelt dat dat verweerder in het bestreden besluit niet kenbaar heeft vermeld wat het referentiekader van eiser is, overweegt de rechtbank dat het expliciet uiteenzetten van het referentiekader in het bestreden besluit geen vereiste is. Waar het om gaat, is dat verweerder bij de beoordeling van de verklaringen rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling zoals zijn leeftijd, achtergrond, ervaringen en overtuigingen. Eiser betoogt terecht dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt of en hoe zijn referentiekader bij de beoordeling is betrokken. Dit leidt echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit omdat eiser in de beroepsgronden en op zitting niet concreet heeft gemaakt op welke onderdelen dit, gelet op zijn referentiekader, tot een andere conclusie had moeten leiden. Het enkele betoog dat eisers Koerdische afkomst in zijn voordeel had moeten worden meegewogen bij de beoordeling van zijn politieke overtuiging, is daartoe onvoldoende. Verweerder heeft namelijk, zoals hierna in rechtsoverweging 14. wordt toegelicht, voldoende gemotiveerd waarom het betoog van eiser over zijn politieke overtuiging niet wordt gevolgd.
Heeft verweerder de Terugkeerrichtlijn geschonden door geen vertaling te verstrekken?
8. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder in strijd met artikel 12, tweede lid, van de Tri heeft gehandeld en dat eiser hierdoor in zijn belangen zou zijn geschaad. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat in het bestreden besluit, onder kopje ‘Gevolgen van dit besluit’, een QR-code is opgenomen. Indien deze wordt gescand, wordt er in 25 talen, waaronder Turks, informatie gegeven over wat een terugkeerbesluit inhoudt, wat de gevolgen ervan zijn voor de vreemdeling en welke rechtsmiddelen ertegen aangewend kunnen worden. Uit het dossier blijkt dat eiser naast het Koerdisch Kermandji ook de Turkse taal spreekt. Dat eiser verzocht zou hebben om een mondelinge vertaling, maakt het oordeel niet anders, nu eiser niet heeft gesteld dat hij de schriftelijke uitleg niet begrijpt. Bovendien is eiser tijdens de procedure bijgestaan door een advocaat die zijn belangen heeft behartigd en hem heeft kunnen informeren over zijn rechtspositie. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Heeft verweerder de totstandkoming van het rapport van Bureau Documenten voldoende toegelicht?
9. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd hoe verweerder AI en algoritmes heeft gebruikt bij de totstandkoming van het besluit, slaagt deze beroepsgrond niet. Verweerder heeft, na intern navraag te hebben gedaan, toegelicht dat bij de voorbereiding en de totstandkoming van het bestreden besluit geen gebruik is gemaakt van VisualDoc of een andere vorm van AI. De beoordeling in de Verklaring van Onderzoek van 21 oktober 2025 is handmatig verricht door een documentendeskundige en de vergewisbrief van 22 oktober 2025 is opgesteld door een medewerker van TOELT. Nu verweerder geen AI heeft gebruikt bij de totstandkoming van het besluit, behoeven de beroepsgronden van eiser die op dit punt zien geen verdere bespreking.
In beroep voert eiser verder aan dat verweerder de vergewisplicht heeft geschonden door de vergewisbrief van TOELT niet bij de besluitvorming te betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De vergewisbrief is weliswaar pas opgesteld na het voornemen, maar is wel degelijk betrokken in het bestreden besluit.
Het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte geen technisch onderzoek heeft verricht naar de documenten, slaagt niet. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet was gehouden om technisch onderzoek te doen omdat het in het geval van eiser ging om scans van documenten en technisch onderzoek alleen mogelijk is bij originele documenten.
Voor zover eiser zich beroept op WI 2022/22 heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze werkinstructie ziet op reguliere zaken en dus niet van toepassing is op de asielzaak van eiser. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
10. In wat eiser verder aanvoert ten aanzien van het onderzoek naar de documenten, ziet de rechtbank geen aanleiding om eisers betoog dat er twijfel bestaat over de deskundigheid van het onderzoek, te volgen.
Mocht verweerder eisers gestelde problemen vanwege zijn deelname aan de demonstratie ongeloofwaardig vinden?
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers gestelde problemen vanwege zijn deelname aan een demonstratie ongeloofwaardig mogen vinden. Daarbij heeft verweerder een zwaar gewicht mogen toekennen aan de door eiser overgelegde documenten die als niet-juist zijn beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze, anders dan eiser betoogt, wel degelijk mogen betrekken bij de besluitvorming. Eiser heeft deze documenten immers zelf ter onderbouwing van zijn asielrelaas overgelegd. De onjuistheden in die documenten heeft verweerder mogen betrekken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling nu deze documenten volgens eiser zien op de problemen die hij stelt te hebben. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
Verder heeft verweerder mogen vinden dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn lidmaatschap van de HDP. Verweerder heeft daarbij een zwaar gewicht mogen toekennen aan het feit dat het door eiser overgelegde document “bewijs van lidmaatschap van HDP” is beoordeeld als waarschijnlijk niet bevoegd opgemaakt en afgegeven.
Weliswaar heeft verweerder in het bestreden besluit maar kort gemotiveerd waarom eiser summier zou hebben verklaard over de demonstratie, maar gelet op de verwijzingen naar de verklaringen die eiser tijdens het nader gehoor heeft afgelegd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen vinden dat eiser niet uitgebreid over de demonstratie heeft verklaard.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig zou hebben verklaard over de datum waarop het huisbezoek bij zijn vader heeft plaatsgevonden. Eiser heeft eerst verklaard dat dit in december 2023 was en vervolgens, nadat hij geconfronteerd werd met de datum uit een van de documenten, dat dit in november 2023 was. Tijdens het nader gehoor heeft eiser deze tegenstrijdigheid direct gecorrigeerd en daarbij verklaard dat hij zich had vergist in de maand. In reactie daarop heeft de hoormedewerker gezegd dat dat geen probleem is en dat dat kan gebeuren. Wel heeft verweerder mogen vinden dat eiser onvoldoende precies heeft verklaard over hoe vaak zijn vader is meegenomen. Verweerder heeft mogen verwachten dat eiser hier met meer precisie over had kunnen verklaren nu het gaat om een ingrijpende gebeurtenis die bovendien verband houdt met eisers asielrelaas.
Eiser heeft ook nog aangevoerd dat hij niet ongerijmd heeft verklaard over het uitreisverbod. Nu dat wat hierboven is overwogen al voldoende is om de problemen naar aanleiding van de demonstratie ongeloofwaardig te achten, behoeft deze beroepsgrond geen bespreking.
Mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade?
12. Zoals overwogen in rechtsoverwegingen 11. tot en met 11.4. heeft verweerder eisers gestelde problemen vanwege zijn deelname aan de demonstratie ongeloofwaardig mogen vinden. Ten aanzien van dit asielmotief heeft verweerder dan ook kunnen stellen dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. De gronden van eiser die zien op dit asielmotief slagen daarom niet.
13. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onoverkomelijke, zwaarwegende gewetensbezwaren heeft die zien op één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag om niet in het leger te willen dienen. De verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor dat hij geen wapens wil dragen en dat hij tegen oorlogen is, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om te kwalificeren als gewetensbezwaarde. Ook is niet door eiser onderbouwd dat dienstplichtigen momenteel worden ingezet bij een gewapend conflict.
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft vanwege zijn politieke overtuiging. Verweerder heeft daarbij onder meer mogen betrekken dat eiser heeft verklaard dat hij in Nederland zijn politieke overtuiging niet uit en dat verweerder de deelname aan de demonstratie en problemen met de Turkse autoriteiten ongeloofwaardig heeft mogen vinden. Dat eiser aanvoert dat verweerder in het voornemen ten onrechte niet heeft getoetst aan IB 2024/10, maakt het oordeel niet anders. Verweerder heeft immers in het bestreden besluit wel degelijk aan dit beleid getoetst. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
15. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
16. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.