RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen
[eisers] , uit [woonplaats] , eisers,
het college van burgemeester en wethouders van Delft,
Samenvatting
Inleiding
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8105
en
(gemachtigde: M. van Drunen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], uit [woonplaats] (vergunninghouder).
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college met het primaire besluit van 29 juni 2023 terecht een omgevingsvergunning heeft verleend voor het verbouwen van de woning aan de [adres] aan de binnenzijde en uitbreiding aan de achtergevel op de begane grond en op de eerste verdieping.
De bezwaren van eisers tegen het primaire besluit zijn met het bestreden besluit op bezwaar van 30 oktober 2023 ongegrond verklaard. Aan de hand van wat eisers hiertegen in beroep hebben aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de omgevingsvergunning terecht is verleend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning terecht is verleend en dat het beroep van eisers tegen het bestreden besluit daarom ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het inpandig verbouwen en het uitbreiden van zijn woning aan de achterzijde. De aanvraag betreft de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het college heeft de omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo en dit besluit met het bestreden besluit gehandhaafd.
Procesverloop
3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Vergunninghouder heeft schriftelijk op het beroep gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van het college. Vergunninghouder is met voorafgaande kennisgeving aan de rechtbank niet ter zitting verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 14 mei 2022, blijft in dit geval de Wabo van toepassing.
Toetsingskader
5. De voor de beoordeling van de beroepen relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.
Is de vergunde uitbouw in strijd met de planregels?
6. Eisers wonen naast en nabij de woning van vergunninghouder. Zij stellen dat het vergunde bouwwerk zal leiden tot een vermindering van hun uitzicht en een afname van lichtinval. Bovendien vrezen zij voor een aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van hun wijk als meer bewoners dit soort bouwwerken zouden realiseren. Volgens eisers heeft het college deze belangen ten onrechte niet in zijn besluitvorming betrokken. Eisers betogen dat de vergunde bouw in strijd is met het vigerende bestemmingsplan “Voorhof”. Daartoe voeren zij aan dat geen sprake is van een aan- en uitbouw als bedoeld in artikel 1.3 van de planregels, omdat de uitbreiding van de woning niet beperkt is tot de begane grond. Het college had de omgevingsvergunning daarom niet kunnen verlenen zonder ook een belangenafweging te maken, aldus eisers.
In artikel 1.3 van het bestemmingsplan wordt een aan- en uitbouw gedefinieerd als een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw op de begane grond dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. De rechtbank stelt vast dat eisers niet hebben bestreden dat het bouwwerk bouwkundig te onderscheiden is van het hoofdgebouw. Daarom zal de rechtbank ervan uit gaan dat in zoverre wordt voldaan aan artikel 1.3 van het bestemmingsplan.
Op het perceelsgedeelte waarop het vergunde bouwplan is gerealiseerd, rust de enkelbestemming ‘Wonen’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen - aanbouw op eerste verdieping toegestaan’. Artikel 15.2.2 van de planregels bevat voorschriften voor aan- en uitbouwen voor de bestemming ‘Wonen’. Onder letter b van dit artikel is bepaald dat de diepte van een aan- en uitbouw aan de achtergevel van het hoofdgebouw maximaal 3,5 m mag bedragen. Onder letter d van dit artikel is de bouwhoogte van aan- en uitbouwen geregeld. Daarin is onder meer bepaald dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - aanbouw op de eerste verdieping toegestaan’ de bouwhoogte van aan- en uitbouwen maximaal de hoogte van de tweede bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw mag bedragen, vermeerderd met 0,4 m.
In dit geval is sprake van een uitbouw waarmee de begane grond is uitgebreid met 3,5 m en waarmee de eerste verdieping is uitgebreid met 1,75 m. De rechtbank overweegt dat het college terecht heeft aangenomen dat de uitbreiding op de begane grond en de eerste verdieping gestalte heeft gekregen in één enkel bouwwerk dat op de begane grond staat. De rechtbank ziet geen aanleiding om – zoals eisers wensen – de uitbreiding ter hoogte van de eerste etage aan te merken als een afzonderlijke uitbreiding die niet op de begane grond staat en daarom niet kan worden aangemerkt als een aan- of uitbouw in de zin van artikel 1.3 van de planregels. Artikel 15.2.2, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan maakt het immers uitdrukkelijk mogelijk om een uitbouw te realiseren met een hoogte tot 0,4 m boven de tweede bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw.
Dat het gerealiseerde bouwwerk de begane grond uitbreidt met 3,5 m en de eerste verdieping met 1,75 m, leidt evenmin tot het oordeel dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft terecht vastgesteld dat artikel 15.2.2, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan geen beperkingen stelt aan de diepte van een uitbouw en heeft mogen aannemen dat ook op de eerste verdieping dus een uitbouw met een diepte van maximaal 3,5 m is toegestaan.
Gelet op het voorgaande heeft het college terecht het standpunt ingenomen dat het vergunde bouwwerk niet in strijd is met het bestemmingsplan. Nu ook niet is gebleken dat een andere weigeringsgrond uit artikel 2.10 van de Wabo van toepassing is, mocht het college de omgevingsvergunning niet weigeren. Dat betekent dat sprake is van een zogeheten gebonden beschikking en dat voor het college geen ruimte bestond om de door eisers gewenste nadere belangenafweging te maken.
Het beroep slaagt niet.Conclusie en gevolgen
7. Het voorgaande betekent dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
(…)
Bestemmingsplan ‘Voorhof’
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
(…)
aan- en uitbouw
een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw op de begane grond dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw;
(…)
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 15 Wonen
Bouwwerken, buiten het bouwvlak
Voor het bouwen van bouwwerken buiten het bouwvlak gelden de regels van artikel 25 en de volgende bepalingen:
(…)
b. de diepte van een aan- en uitbouw aan de achtergevel van het hoofdgebouw
mag maximaal 3,5 m bedragen;
(…)
d. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen mag maximaal de hoogte van de eerste
bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw bedragen vermeerderd met 0,4 m, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - aanbouw op de eerste verdieping toegestaan' de bouwhoogte van de aan- en uitbouwen maximaal de hoogte van de tweede bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw mag bedragen vermeerderd met 0,4 m;