RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51262
geboren op [geboortedatum],van Turkse nationaliteit, V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 6 maart 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 de asielaanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in 2009 een relatie heeft gekregen met een getrouwde vrouw. Toen haar man achter deze relatie kwam, is zij met haar familie een rechtszaak tegen eiser begonnen, om de eigen eer te redden. Eiser won de rechtszaak, maar stelt dat hij tijdens de rechtszitting is bedreigd door de familie van de vrouw. Sindsdien heeft eiser tien jaar lang op verschillende plekken in Turkije gewoond. Eiser heeft verklaard dat hij telefonisch werd bedreigd door de familie van de vrouw en hen ook wel eens tegenkwam op andere plekken. In Belgrado stelt eiser in 2021 te zijn aangevallen door familieleden van de vrouw. Eiser vreest bij terugkeer in Turkije geliquideerd te worden door familieleden van de vrouw.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;2. Problemen vanwege de ex-partner.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De minister vindt de problemen vanwege de relatie met eisers ex-partner niet geloofwaardig. De minister overweegt onder meer dat eiser geen oprechte inspanningen heeft geleverd om zijn aanvraag te staven en dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en geen goede verklaring daarvoor heeft gegeven. Verder vindt de minister dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft wisselend en tegenstrijdig verklaard over zijn relatie en de informatie uit UYAP betreft afgesloten zaken waarmee eiser zijn problemen niet heeft kunnen aantonen. De minister overweegt verder dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, omdat hij meerdere keren met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser voldoet volgens de minister dan ook niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder a, c, d en e, van de Vw.
Heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat hij zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend?
5. Eiser voert aan dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij niet onverwijld asiel heeft gevraagd. Eisers eerste prioriteit was zijn leven veilig stellen. In eerste instantie heeft hij dat geprobeerd in Turkije door zich steeds te verplaatsen. Omdat het hem niet lukte in Turkije een veilig onderkomen te vinden, vertrok eiser naar Europa. Ook in Europa had eiser moeite om een veilig onderkomen te vinden en tot rust te komen. Uiteindelijk heeft eiser pas later besloten een asielaanvraag in te dienen. De minister gaat hier ten onrechte aan voorbij.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. De rechtbank stelt vast dat eiser volgens zijn eigen verklaringen pas na zes of zeven maanden zijn asielaanvraag heeft ingediend. De verklaring dat eiser eerst tot rust wilde komen en een eigen onderkomen wilde vinden, is naar het oordeel van de rechtbank geen verschoonbare reden voor het niet zo spoedig mogelijk doen van een asielaanvraag. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser stelt jarenlang bedreigd te zijn geweest en te vrezen voor zijn leven. Niet valt in te zien dat eiser daarom niet direct een asielaanvraag heeft ingediend. Heeft de minister het referentiekader van eiser kenbaar bij de beoordeling betrokken?
7. Eiser stelt dat de minister op basis van WI 2024/6 gehouden is bij de beoordeling van de geloofwaardigheid het referentiekader kenbaar te betrekken. De minister heeft dit ten onrechte nagelaten. Op de zitting heeft eiser verder toegelicht dat de minister in dit kader ook rekening had moeten houden met het feit dat de gebeurtenissen vele jaren terug hebben plaatsgevonden.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister het referentiekader van eiser ten onrechte niet kenbaar heeft uiteengezet in de besluitvorming. De rechtbank overweegt dat het kenbaar betrekken van het referentiekader allereerst vereist dat de minister het referentiekader van de vreemdeling in de besluitvorming beschrijft. Verder behelst het kenbaar betrekken van het referentiekader dat de minister motiveert op welke wijze het beschreven referentiekader van invloed is op het oordeel over hetgeen van de betreffende vreemdeling in zijn algemeenheid verlangd mag worden ter onderbouwing van zijn asielrelaas en op welke wijze de verschillende aspecten uit het referentiekader zijn betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Nu in het voornemen en het bestreden besluit geheel niet is opgenomen wat er van eiser, gelet op zijn referentiekader, mag worden verwacht is het bestreden besluit op dit vlak niet deugdelijk gemotiveerd. Het besluit komt dan ook in aanmerking voor vernietiging. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en licht dat hieronder toe.
9. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister alsnog toegelicht wat het referentiekader van eiser is. In dit kader is toegelicht dat eiser een volwassen man van 50 jaar oud is, dat hij naar de basisschool is geweest, daarna verschillende cursussen heeft gevolgd en dat hij gewerkt heeft in de bouw. Daarnaast volgt uit het MediFirst verslag dat eiser kon worden gehoord. Volgens de gemachtigde van de minister mag van eiser dan ook worden verwacht dat hij eenduidig verklaard over wat hem is overkomen, te meer nu dit de kern van zijn asielrelaas betreft. Dat de gebeurtenissen jaren geleden zijn gebeurd maakt dat volgens de gemachtigde van de minister niet anders.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister met het voorgaande alsnog afdoende het referentiekader van eiser heeft uiteengezet en voldoende heeft gemotiveerd waarom er van eiser verwacht mag worden dat hij eenduidig verklaart over wat hij heeft meegemaakt. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat er onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat de gebeurtenissen vele jaren geleden zouden hebben plaatsgevonden. De rechtbank is, met de minister, van oordeel dat eiser op sommige punten weliswaar bij benadering heeft verklaard over de gebeurtenissen en de tijdlijn, maar dat het verschil in sommige verklaringen dusdanig groot is dat het enkele tijdsverloop geen verschoonbare reden is voor deze verschillen. De rechtbank overweegt in dit kader dat van eiser, mede gelet op zijn referentiekader, mag worden verwacht dat hij eenduidig verklaart over de duur van zijn relatie. De enkele stelling van eiser op de zitting dat hij nooit heeft verklaard dat zijn relatie vier jaar heeft geduurd en dat hij enkel heeft verklaard dat zijn relatie een jaar heeft geduurd, leidt niet tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat eiser deze verklaring op enig moment gecorrigeerd heeft. Heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met dat wat uit UYAP blijkt?
11. Eiser voert verder aan dat de minister blijft herhalen dat eiser eerder in UYAP had kunnen kijken, maar voorbijgaat aan dat wat uit UYAP blijkt. Het overzicht uit UYAP is namelijk een onderbouwing van de verklaringen van eiser en past in zijn tijdlijn. Dat er te laat in UYAP zou zijn gekeken doet hieraan niet af.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende gemotiveerd heeft dat hetgeen uit UYAP blijkt niet tot een ander oordeel leidt. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat de informatie uit UYAP afgesloten zaken betreft en dat daarmee niets met betrekking tot de inhoud van de zaken is aangetoond. Ook heeft de minister kunnen betrekken dat het overzicht uit UYAP niet overeenkomt met eisers verklaringen. De minister heeft hierbij verwezen naar eisers verklaring dat er een vonnis zou zijn uitgesproken in 2010, maar uit de UYAP-gegevens blijkt dat de laatste zitting plaatsvond in 2013 en ook het laatste vonnis dateert uit dat jaar.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond vanwege het geconstateerde motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Dat betekent dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen.
13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.