ECLI:NL:RBDHA:2026:1732

ECLI:NL:RBDHA:2026:1732

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-02-2026
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer NL26.2868
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Beroep tegen ophouding – onjuiste grondslag – beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.2868

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Verweerder heeft eiser op 15 januari 2026 om 17:30 uur opgehouden. Op 15 januari 2026 omstreeks 21:45 uur is de vrijheidsbeneming van eiser beëindigd omdat hij is heengezonden nadat tegen hem een terugkeerbesluit was uitgevaardigd met een vertrektermijn van 28 dagen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de ophouding.

Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met een schriftelijke behandeling van het beroep. Hij heeft op 22 januari 2026 beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 28 januari 2026 een verweerschrift ingediend. Op 28 januari 2026 heeft eiser aanvullende beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op diezelfde dag gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1980 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

2. Eiser voert aan dat sprake is geweest van verkapt vreemdelingentoezicht dan wel dat verweerder anderszins misbruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt door het identiteitsbewijs van eiser te vorderen. Niet valt in te zien wat de noodzaak was om eisers identiteitsbewijs te vorderen, nu hij zonder bezwarende omstandigheden in een geparkeerde auto zat. Eiser verwijst hierbij onder meer naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Dordrecht, van 12 mei 2009. Eiser voert daarnaast aan dat de ophouding ten onrechte is gebaseerd op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, omdat uit het [formulier] blijkt dat eiser niet beschikte over een identificerend document. Tot slot voert eiser aan dat uit het dossier niet blijkt hij door verweerder in staat is gesteld om contact op te nemen met de Marokkaanse ambassade, zijn verwanten en zijn advocaat.

De rechtbank oordeelt als volgt.

3. Eiser wordt niet gevolgd in zijn betoog dat sprake is geweest van verkapt vreemdelingrechtelijk toezicht dan wel van misbruik van bevoegdheid door verweerder. Uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht van 15 januari 2026 blijkt dat de verbalisanten een voertuig voorzien van een Duits exportkenteken, geldig tot 25 december 2025, geparkeerd zagen staan en dat zij daarop richting het voertuig zijn gelopen. Verder blijkt uit het proces-verbaal dat de verbalisanten zagen dat een persoon op de bestuurderstoel zat en dat zij op basis van artikel 8 van de Politiewet hebben gevorderd om een geldig identiteitsbewijs te tonen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit dit proces-verbaal afdoende dat aldus sprake was van een niet-vreemdelingrechtelijke aanleiding om eiser naar zijn identiteitsdocumenten te vragen. Verbalisanten hebben gehandeld in het kader van hun algemene politietaak. Het onderzoek naar een op de openbare weg aanwezig voertuig met een verlopen Duits exportkenteken en in het verlengde daarvan naar de identiteit van de inzittende van dit voertuig valt binnen de aan hen opgedragen algemene politietaak. Het enkel ontbreken van verdere, al dan niet bezwarende informatie, rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van verkapt vreemdelingenrechtelijk toezicht. Gelet hierop is het niet aan de bewaringsrechter om verder te oordelen over de staandehouding van eiser.

3. Daarnaast blijkt naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk dat eiser in staat is gesteld om contact op te nemen met zijn advocaat, zijn verwanten en de Marokkaanse ambassade. In het proces-verbaal van ophouding staat immers onder 9. vermeld dat eiser is bezocht door een piketadvocaat en dat hij telefonisch contact heeft gehad met zijn vriendin. Verder blijkt uit het proces-verbaal dat eiser erop is gewezen dat hij contact kan (laten) opnemen met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van Marokko met het oog op consulaire bijstand, maar dat eiser te kennen heeft gegeven hiervan geen gebruik te willen maken. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van het proces-verbaal te twijfelen.

4. Namens eiser is echter terecht aangevoerd dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft de ophouding gebaseerd op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. Deze grondslag is aan de orde indien de identiteit van de staande gehouden persoon onmiddellijk kan worden vastgesteld en gebleken is dat deze persoon geen rechtmatig verblijf geniet. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat eisers identiteit kon worden vastgesteld doordat hij in het bezit was van een Marokkaanse identiteitskaart en dat een eventuele verschrijving in het proces-verbaal van ophouding onder 6. – namelijk de vermelding dat eiser niet beschikte over een in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aangewezen document - niet afdoet aan de juistheid van de grondslag. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Een Marokkaanse identiteitskaart is geen document in de zin van artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Verweerder heeft dan ook niet aan de hand van dit document de identiteit van eiser kunnen vaststellen. Nu eiser niet over een identificerend document in de zin van artikel 4.21 van het Vb beschikte, heeft de ophouding ten onrechte op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw plaatsgevonden. De ophouding is daarmee onrechtmatig.

5. Het beroep is dan ook gegrond. Eiser heeft uitdrukkelijk om schadevergoeding gevraagd. Omdat de ophouding onrechtmatig is, maakt eiser aanspraak op een schadevergoeding. De rechtbank stelt deze vast op een bedrag van € 160, in aanmerking genomen dat eiser een dagdeel opgehouden is geweest op het politiebureau.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan op 2 februari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.F.I. Sinack

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?