RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3666
(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en
(gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Verweerder heeft op 16 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 28 januari 2026.
Overwegingen
Conclusie
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1970 en de Oezbeekse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 23 december 2025 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat de grondslag van de maatregel zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw niet langer opgaat. Verweerder heeft namelijk op 29 december 2025 op eisers asielaanvraag beslist door deze als kennelijk ongegrond af te wijzen. Verder bevat de motivering van de grondslag van de maatregel zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw, een tegenstrijdigheid ten opzichte van de overige – in de maatregel opgenomen – motivering. Ook blijkt niet dat eiser op de hoogte was van de eerdere afwijzing van zijn asielaanvraag, waardoor eiser ervan kon uitgaan dat hij procedureel rechtmatig verblijf had vanwege zijn lopende asielaanvraag. Tot slot heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Grondslag artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
5. Een maatregel van bewaring op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw is geoorloofd wanneer de bewaring noodzakelijk is met het oog op verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Daarvan kan na het afwijzen van die aanvraag geen sprake meer zijn. Eiser heeft op 29 december 2025 een afwijzende asielbeschikking ontvangen. De maatregel kon dus vanaf deze datum in ieder geval niet voortduren op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Grondslag artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.
6. Eiser heeft tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag op 2 januari beroep ingesteld en hij heeft een voorlopige voorziening hangende dat beroep ingediend, welke hij in Nederland mag afwachten. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2019 volgt dat in zo’n geval sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. De rechtbank neemt aan dat op dit beroep nog niet is beslist, waarmee aan de eerste voorwaarde, te weten die van rechtmatig verblijf, voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw is voldaan.
7. In haar uitspraak van 24 december 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats reeds geoordeeld dat de maatregel van bewaring op beide grondslagen, dus ook de c-grondslag, gebaseerd kon worden.
8. De rechtbank neemt aan dat in de motivering van de grondslag onder artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw – over de datum van eisers eerdere asielaanvraag – sprake is van een kennelijke verschrijving door daar het jaartal 2019 te noemen en niet 2023. Verweerder heeft in de maatregel een procesverloop opgenomen, waaruit voldoende duidelijk blijkt dat eiser op 9 december 2023 is gecontroleerd door de Koninklijke Marechaussee en een asielaanvraag heeft ingediend, wat ook nog op andere plekken in de maatregel is terug te lezen. Ook volgt uit de maatregel voldoende duidelijk dat eiser tijdens een gehoor voor inbewaringstelling op 11 december 2025 heeft verklaard dat hij met een visum vanuit Letland naar Nederland is gevlogen in 2019. Uit de aan eiser opgelegde maatregel blijkt voldoende dat hij eerder, in 2023, een asielaanvraag heeft ingediend zonder de procedure af te wachten en dat hij met onbekende bestemming is vertrokken, op welke redelijke gronden verweerder kon aannemen dat eiser de huidige aanvraag heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen dan wel te verijdelen.Lichter middel
9. Bij het eerste beroep van eiser is ambtshalve geoordeeld dat er terecht geen lichter middel is toegepast. Eiser heeft in het vervolgberoep geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die het vorenstaande anders maken. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding voor een ander oordeel.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 februari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.