[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M.C.A. Schulpen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: B.M. de Wolff).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om een Wajong-uitkering. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Het Uwv heeft in het besluit van 23 oktober 2025 bepaald dat verzoekster geen Wajong-uitkering krijgt, omdat zij arbeidsvermogen heeft. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling door de rechtbank
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoekster ontvangt een WIA-uitkering van € 194,88 bruto per maand. Door de afwijzing van de Wajong-uitkering is zij naar eigen zeggen financieel afhankelijk van familieleden omdat zij niet genoeg inkomen heeft om haar vaste lasten te betalen. De uitkering is net hoog genoeg om haar zorgpremie te betalen. Ze heeft betalingsregelingen getroffen voor haar rekeningen, maar die kunnen niet betaald worden door haarzelf. Zij wordt financieel ondersteund door haar ouders, maar dit is volgens verzoekster slechts een tijdelijke overbrugging die niet langdurig kan worden voortgezet. Verzoekster heeft een uitdraai van haar zorgverzekeringspremie in 2026 overgelegd. Die bedraagt € 180,61 per maand. Ook heeft zij een betaalspecificatie van haar WIA-uitkering overgelegd waaruit volgt dat zij een bedrag van € 189,97 netto per maand ontvangt.
4. Het Uwv geeft aan dat verzoekster bij haar ouders inwoont, en dat uit de polisadministratie volgt dat beide ouders een inkomen hebben in de vorm van een WIA-uitkering en loon uit dienstverband. Het Uwv merkt ook op dat uit het medisch onderzoeksverslag van 9 september 2025 volgt dat verzoekster destijds geen plannen had om zelfstandig te gaan wonen.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat er een spoedeisend belang is. Niet is gebleken dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Verzoekster woont nog bij haar ouders thuis en zoals zij zelf heeft aangegeven ondersteunen haar ouders haar financieel. Dat dit een tijdelijke overbrugging is die niet kan worden voortgezet tot op het bezwaar is beslist blijkt nergens uit. Met de WIA-uitkering die zij maandelijks ontvang kan zij haar zorgverzekeringspremie betalen. Verzoekster heeft niet met stukken onderbouwd dat er andere kosten of schulden zijn. Bovendien heeft zij niet eerder een Wajong-uitkering ontvangen. Dat zij door de afwijzing van de aanvraag om een Wajong-uitkering financieel afhankelijk is geworden van familieleden kan de voorzieningenrechter dus niet volgen.
Conclusie en gevolgen
6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: