RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62308
(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Cetinkaya. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ophouding
1. Eiser voert aan dat de termijn van de ophouding is overschreden. In de maatregel wordt als reden vermeld dat eiser in de gelegenheid is gesteld zijn gemachtigde te spreken. Dit is echter geen rechtsgeldige grond om de ophoudingstermijn te verlengen. Bovendien ontbreekt een deugdelijke motiveringsbeschikking. Dit maakt dat de ophouding onrechtmatig is, wat met zich meebrengt dat ook de daaropvolgende maatregel onrechtmatig is.
2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de ophouding van eiser de maximale duur met 33 minuten heeft overschreden. De ophouding is daarom onrechtmatig. Volgens vaste jurisprudentie maakt de onrechtmatigheid van de ophouding de daaropvolgende inbewaringstelling slechts onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Naar het oordeel van de rechtbank dient de belangenafweging in dit geval in het nadeel van eiser uit te vallen. De rechtbank betrekt hierbij dat uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd - zoals in de rechtsoverwegingen 8 en 9 is overwogen - een significant onttrekkingsrisico volgt en dat sprake is van een geringe overschrijding van de termijn. Verder betrekt de rechtbank dat eiser niet heeft onderbouwd op welke wijze hij door het overschrijden van de ophoudingstermijn in zijn belangen is geschaad. Gelet hierop staan de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding tot de ernst van het gebrek. De belangenafweging valt daarom in het voordeel van de minister uit. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag maatregel
3. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring op een onjuiste grondslag berust. Daartoe voert eiser aan dat niet ondubbelzinnig is gebleken welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Een vreemdeling kan op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring worden gesteld als de Dublinverordening op hem van toepassing is. Dat is het geval als er een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. De rechtbank is van oordeel dat daar in de onderhavige zaak sprake van was. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 25 augustus 2022 in Frankrijk een asielaanvraag heeft ingediend. Uit vaste jurisprudentie volgt dat dit een concreet aanknopingspunt is voor overdracht op grond van de Dublinverordening. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser op de juiste grondslag in bewaring is gesteld.
Bewaringsgronden
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Verweerder heeft de zware grond 3i en de lichte gronden 4b en 4d ter zitting laten vallen. Deze gronden liggen dus niet langer ten grondslag aan de maatregel van bewaring.
7. Eiser betwist alle overige zware en lichte gronden. Ten aanzien van de zware grond 3a voert eiser aan dat deze hem niet kan worden tegengeworpen, omdat de wijze van binnenkomst inherent is aan de situatie van een vreemdeling en niets zegt over het actuele risico op onttrekking. Wat betreft de zware grond 3b voert eiser aan dat in de motivering enkel wordt verwezen naar het onrechtmatig verblijf van eiser en niet naar zijn concrete gedragingen. Ten aanzien van de zware grond 3c voert eiser aan dat de motivering ziet op het niet hebben voldaan aan eisers vertrekplicht terwijl dit niet relevant is bij een maatregel op grond van artikel 59a van de Vw (Dublin). Ten aanzien van de lichte grond 4a voert eiser aan dat in de motivering niet is geconcretiseerd welke verplichtingen zijn geschonden en wanneer dit zou zijn gebeurd. Over de lichte grond 4c voert eiser aan dat hij op een adres is aangetroffen.
8. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, is niet gebleken dat eiser Nederland op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Eiser beschikt namelijk niet over een geldig reisdocument. Hieraan wordt terecht de conclusie verbonden dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Eiser verblijft namelijk onrechtmatig in Nederland, waarmee hij zich aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder de lichte grond 4c terecht heeft tegengeworpen aan eiser, aangezien vaststaat dat eiser niet met een vaste woon- of verblijfsplaats staat ingeschreven in de BRP en daar een onttrekkingsrisico uit volgt. De enkele stelling dat eiser op een adres is aangetroffen, is onvoldoende voor het oordeel dat hij een vaste woon- of verblijfplaats heeft.
9. De zware gronden 3a en 3b en de lichte grond 4c zijn, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende om de maatregel van bewaring al te dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank zal daarom niet ingaan op wat eiser in het kader van de overige gronden heeft aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op overdracht
10. Eiser voert aan dat zicht op overdracht ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat de verantwoordelijkheid van Frankrijk voor eisers asielaanvraag berust op een asielaanvraag uit 2022. Verweerder had eerst onderzoek moeten verrichten naar een eventueel verblijfsrecht van eiser in Frankrijk en of hij in de tussentijd het Dublingebied heeft verlaten. De enkele stelling dat er geen indicatie is dat eiser het Dublingebied heeft verlaten is onvoldoende.
11. De rechtbank is van oordeel dat zicht op overdracht in het geval van eiser niet ontbreekt. Zoals onder rechtsoverweging 4. al is aangegeven, blijkt uit Eurodac dat eiser op 25 augustus 2022 in Frankrijk een asielaanvraag heeft ingediend. Uit het rechtbankdossier blijkt dat verweerder vervolgens op 22 december 2025 een terugnameverzoek heeft ingediend bij de Franse autoriteiten. De Franse autoriteiten hebben tot en met 5 januari 2026 de tijd om op dit verzoek te reageren. Niet is op voorhand gebleken dat de Franse autoriteiten niet zullen instemmen met dit verzoek. De stelling dat verweerder eerst onderzoek had moeten verrichten, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande dan ook niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
12. Eiser betoogt daarnaast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Daartoe voert eiser aan dat hij tijdens de bewaring een asielaanvraag heeft ingediend en opvang op een COA-locatie had moeten krijgen.
13. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank verwijst daarbij naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het significante onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend maakt dit niet anders. Eiser heeft verder ook niet onderbouwd waarom de maatregel onevenredig bezwarend voor hem zou zijn en dat daarom een lichter middel had moeten worden opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
14. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858) gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie gen volgen
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Vanwege het onder rechtsoverweging 2. geconstateerde gebrek, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.