RECHTBANK Den Haag
Team Handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/692511 / HA RK 25-568
Beschikking van 14 januari 2026
in de zaak van
BUDGETZORG B.V., te Zoetermeer,
verzoekster, hierna te noemen: Budgetzorg,
advocaat mr. G.L. van Weverwijk.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 25 producties, ingekomen op 1 oktober 2025;
- de e-mail van de rechtbank aan mr. Van Weverwijk van 16 oktober 2025; - de e-mail van mr. Van Weverwijk van 24 oktober 2025.
Daarna is bepaald dat vandaag een beschikking wordt gegeven.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt tot het, uitvoerbaar bij voorraad, verkrijgen van toestemming voor het anders besteden van het vermogen dat Budgetzorg bij haar omzetting (van stichting naar bv) had en de vruchten daarvan op grond van artikel 2:18 lid 6 Burgerlijk Wetboek (BW), in die zin dat het beklemde vermogen niet meer als beklemd heeft te gelden, met bepaling dat in de statuten van Budgetzorg kan worden opgenomen dat het beklemd vermogen als ontklemd heeft te gelden.
Budgetzorg is op 13 augustus 2002 opgericht als Stichting Budgetzorg (hierna: de Stichting). In september 2024 heeft de Stichting een verzoek ingediend bij de rechtbank Den Haag tot omzetting van de Stichting, omdat de Stichting, hoewel (aldus het omzettingsverzoekschrift) opgericht hoofdzakelijk vanuit ideële overtuigingen, door ontwikkelingen, wat betreft werkzaamheden en omvang aan te merken was als commerciële organisatie binnen het juridisch kader van een stichting. Om de juridische structuur aan te passen aan de situatie van toen, verzocht de Stichting omzetting. Bij beschikking van 10 oktober 2024 is door de rechtbank een machtiging verleend om de Stichting om te zetten in Budgetzorg. In de akte van omzetting staat in artikel 12 de “vermogensklem” opgenomen.
Budgetzorg legt aan het verzoek het volgende ten grondslag. Budgetzorg is onderdeel van een groep. Op 31 maart 2024 zijn [bedrijf] B.V., als enig aandeelhoudster van Budgetzorg, en Budgetzorg Financiële Diensten B.V., de zustervennootschap van Budgetzorg, opgericht. Het belang van Budgetzorg wordt volgens haar mede ingegeven door het belang van die groep. De “vermogensklem” maakt nu dat Budgetzorg wordt beperkt in het uitkeren van dividend, terwijl zij daarmee nieuwe financiering kan aantrekken en zo de continuïteit van Budgetzorg kan waarborgen. Daarbij kan zij het vermogen nu ook niet aanwenden voor het doen van investeringen in Budgetzorg en binnen de groep waar Budgetzorg deel van uitmaakt. In het verzoekschrift stelt Budgetzorg dat zij niet is opgericht vanuit een ideële doelstelling, maar vanuit een fiscale overweging, namelijk de Btw-vrijstelling. Budgetzorg is van mening dat de “vermogensklem” geen redelijk doel dient, terwijl zij er wel hinder van ondervindt. Om die reden verzoekt Budgetzorg toestemming om het vermogen dat Budgetzorg bij de omzetting had en de vruchten daarvan anders te mogen besteden.
3. De beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat de wet, de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak geen concrete voorwaarden formuleren die in acht genomen moeten worden bij de beoordeling van een verzoek ex artikel 2:18 lid 6 BW om het vermogen dat de stichting bij de omzetting had (en de vruchten daarvan) anders te mogen besteden dan voor de omzetting was voorgeschreven. Eerder heeft deze rechtbank bij de beoordeling van een ontklemmingsverzoek betrokken of derden “in strijd met de redelijkheid en billijkheid” worden benadeeld en voorts of sprake is van strijd met de openbare orde, maar onlangs heeft Van Veen er in een WPNR-bijdrage terecht op gewezen dat deze normen niet terug te voeren zijn op een uit de parlementaire geschiedenis kenbare visie van de wetgever dat de rechter verzoeken tot ontklemming aan de hand (mede) daarvan dient te beoordelen. De schrijver beklemtoont dat de wetgever bij wijziging van artikel 2:18 BW – waarbij de huidige vormgeving van de rechterlijke tussenkomst voor ontklemming tot stand is gekomen – juist heeft laten doorklinken dat grote terughoudendheid geboden is bij de toewijzing van verzoeken tot ontklemming. Vermogen dat is opgebouwd tijdens de periode dat de rechtspersoon de gedaante van de stichting had, dient na omzetting in (zoals in dit geval) de besloten vennootschap strikt conform de doelstelling van de stichting besteed te worden. Alleen in uitzonderingsgevallen zal de rechter het beklemd vermogen kunnen omklemmen. Of dergelijke uitzonderingsvallen zich beperken tot situaties waarin het statutaire doel vóór de omzetting gewijzigd had mogen worden op een wijze dat besteding van het vermogen waarvoor nu toestemming wordt verzocht mogelijk zou zijn zoals Van Veen in zijn bijdrage bepleit, laat de rechtbank hier in het midden. In het onderhavige geval is evident geen sprake van een uitzonderlijk geval waarin het verzoek tot ontklemming voor toewijzing in aanmerking zou kunnen komen.
In het onderhavige verzoekschrift (anders dan in het verzoekschrift dat ten behoeve van de omzetting is ingediend) stelt Budgetzorg dat de Stichting niet vanuit een ideële doelstelling is opgericht. De rechtbank volgt Budgetzorg hierin niet, nog daargelaten of die stelling (indien juist) al voldoende zou kunnen zijn om de ontklemming te sanctioneren. De rechtbank verwijst naar het eerdere omzettingsverzoekschrift (overgelegd als productie 20) waarin expliciet is gesteld dat de Stichting is opgericht vanuit een ideële doelstelling. Dat dit destijds door de toenmalige advocaat van de Stichting ten onrechte is opgeschreven, acht de rechtbank niet voldoende aannemelijk. Bovendien wijst de statutaire doelstelling zoals die van kracht was voor de omzetting in de besloten vennootschap er niet op dat de stichting “in wezen” een commerciële rechtspersoon was althans bedoeld was te zijn. De doelomschrijving van de Stichting luidde: “het ondersteunen en verlenen van zorg op financieel en budgettair gebied aan natuurlijke personen die daartoe zelf niet of onvoldoende in staat zijn”. Die omschrijving kan heel wel een ideële doelstelling omvatten. In de beschrijving in het onderhavige verzoekschrift wordt zelfs benadrukt dat de vermijding van BTW-heffing de belangrijke reden was om te kiezen voor de rechtsvorm van een stichting, en daaruit spreekt toch zonneklaar dat het daarbij ging om een bewuste keuze voor de stichtingsvorm.
Budgetzorg wenst na de ontklemming het vrij te vallen vermogen te besteden aan het doen van uitkeringen en het doen van investeringen ten behoeve van de commerciële bedrijfsvoering. Voor geen van de door haar op verzoek van de rechtbank beschreven bestedingsdoelen geldt dat deze een (gedeeltelijke) ontklemming kunnen rechtvaardigen. Deze aanwending zou in strijd zijn met het wettelijk en (voor de omzetting) statutair verankerde uitkeringsverbod; in wezen zou verzoeker zich aldus het beklemde vermogen dat eertijds aan de stichting toebehoorde, toe-eigenen.
Gelet op het voornoemde concludeert de rechtbank dat zij geen toestemming kan geven om het vermogen dat Budgetzorg bij haar omzetting had en de vruchten daarvan (geheel of gedeeltelijk) anders te besteden. Het verzoek wordt afgewezen.
4. De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
type: 3384