RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2467
(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
en
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Procesverloop
Bij besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Grondslag voor de bewaring en bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, eerste en derde lid van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiseres:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, eerste en vierde lid van het Vb, vermeld dat eiseres:4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiseres betwist dat zij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Daartoe voert zij aan dat zij na haar uitzetting naar Polen haar verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en gedurende ruim twee weken in Polen heeft verbleven.
De rechtbank overweegt over deze beroepsgrond als volgt. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506, C-719/19 (FS tegen Nederland) volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. De duur die de Unieburger buiten het grondgebied van het gastland verbleef, is voor de vaststelling van de daadwerkelijke en effectieve beëindiging van belang, maar niet beslissend. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Verweerder heeft bij besluit van 8 augustus 2025 vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf meer heeft op grond van het Unierecht en bepaald dat eiseres Nederland moet verlaten. Nadat eiseres heeft nagelaten zelfstandig te vertrekken, is zij vanuit vreemdelingenbewaring op 25 november 2025 uitgezet naar Polen. Op 14 januari 2026 is eiseres in het kader van het strafrecht opnieuw in Nederland aangehouden. In het vertrekgesprek van 14 januari 2026 verklaart eiseres dat zij binnen 3 à 4 weken na haar uitzetting is teruggekeerd naar Nederland, in het gehoor op 14 januari 2026 voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaart zij sinds ongeveer een maand weer in Nederland te zijn. Verder volgt uit haar verklaring in dit gehoor dat zij na haar uitzetting in Polen bij haar moeder en zoon heeft verbleven en daar niet heeft gewerkt. De rechtbank ziet gezien deze omstandigheden, de duur van het verblijf buiten Nederland en het ontbreken van stukken waaruit blijkt dat eiseres bestendig verblijf buiten Nederland heeft opgebouwd, geen grond voor het oordeel dat eiseres haar verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat daarvan geen sprake is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
2. De rechtbank stelt vast dat eiseres de zware en lichte gronden welke aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. Deze gronden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
3. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het toepassen van een lichter middel. Daartoe voert eiseres aan dat de bewaring onevenredig zwaar en onvoldoende gerechtvaardigd is.
De rechtbank volgt eiseres niet. Gelet op de terecht aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden is er een risico op onttrekking aan het toezicht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder heeft hierbij onder meer mogen betrekken dat eiseres niet uit eigen beweging gevolg heeft gegeven aan haar vertrekplicht en haar vertrek uit Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.