[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van verweerder van 16 december 2025 op het bezwaar van eiseres tegen:
- de aan eiseres voor het jaar 2019 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de daarbij opgelegde vergrijpboete en in rekening gebrachte belastingrente;
- de aan eiseres voor het jaar 2019 opgelegde navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente;
- de aan eiseres voor het jaar 2020 opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV en de daarbij opgelegde vergrijpboete en in rekening gebrachte belastingrente;
- de aan eiseres voor het jaar 2021 opgelegde aanslag IB/PVV en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026.
Namens eiseres is [naam 1] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [naam 2] en mr. [naam 3] .
Beslissing
De rechtbank:
Overwegingen
1. Eiseres dreef in ieder geval tot ultimo 2019 een onderneming in de vorm van de eenmanszaak [naam 3] .
2. Op 12 maart 2020 is het beroep van eiseres met zaaknummer SGR 19/6287 ter zitting bij deze rechtbank behandeld. Dit beroep had betrekking op de aan eiseres opgelegde aanslag IB/PVV voor het jaar 2016. De behandelend rechter heeft partijen de gelegenheid geboden om met elkaar in overleg te treden.
3. Op 24 maart 2020 heeft verweerder per e-mail aan de partner van eiseres een voorstel gestuurd over de afwikkeling van het beroep SGR 16/6287. In dit voorstel is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Zoals besproken op de zitting van 12 maart jl. heeft de rechter ons uit elkaar
gestuurd met de opdracht om met elkaar in gesprek te gaan en de resultaten van dit
gesprek binnen vier weken na de zittingsdatum (uiterlijk donderdag 9 april 2020)
terug te koppelen aan de griffie van de rechtbank. Onder andere ten aanzien van het
stakingsmoment van [de eenmanszaak] en het tijdstip van vrijval van de fiscale oudedagsreserve (FOR) wil ik u een voorstel doen. (…) De hoofdlijnen van het voorstel betreffende de volgende:
1. Stakingsmoment: de eenmanszaak wordt geacht per ultimo 2019 te zijn gestaakt.
Op de berekening van de stakingswinst zal ingevolge artikel 3.79, lid 2 Wet IB 2001
de stakingsaftrek van € 3.630 worden toegepast.
Het voorgaande houdt in dat de bedrijfskosten over de jaren 2017, 2018 en 2019 (de
omzet was in die jaren € 0,-) in aftrek zullen worden toegestaan onder de bron winst
uit onderneming. Verder zal het verzamelinkomen over 2016 conform de aangifte
IB/PVV 2016 van 4 oktober 2017 op een bedrag van € 21.740 worden vastgesteld.
2. Vrijval FOR: de FOR valt gefaseerd vrij in de winst.
In 2018 valt ingevolge artikel 3.70, lid 1, sub b, onderdeel 3 Wet IB 2001 (in 2017 en
2018 wordt niet voldaan aan het urencriterium) een bedrag van € 3.683 van de FOR
vrij in de winst. Dit bedrag is het gedeelte van het ondernemingsvermogen dat ultimo
2018 de stand van de FOR overschrijdt.
In 2019 valt ingevolge 3.70, lid 1, sub b, onderdeel 1 Wet IB 2001 (in 2019 wordt de
onderneming gestaakt) het restant van de FOR van € 27.181 vrij in de winst.”
4. Op 29 maart 2020 is door de partner van eiseres gereageerd op dit voorstel. Hij geeft aan zich “uiterst belabberd” voelde en een en ander nog te moeten bestuderen. Op 31 maart 2020 is (wederom) vanaf het e-mailadres van de partner van eiseres gereageerd op het voorstel van verweerder. In de e-mail is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“We hebben vanmiddag alle details van uw voorstel besproken en ik stem hiermede in.
(…)
Mvg [naam partner] / [naam eiseres]”
5. Met dagtekening 3 april 2020 heeft eiseres de rechtbank laten weten dat zij met verweerder een compromis heeft bereikt en dat zij het beroep met zaaknummer SGR 19/6287 daarom intrekt.
6. Eiseres heeft op 29 november 2020 voor het jaar 2019 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.531. De aangegeven omzet van de eenmanszaak bedraagt nihil. De aangegeven bedrijfslasten bedragen € 4.737. Er is geen vrijval van de FOR aangegeven.
7. Eiseres heeft op 31 oktober 2021 voor het jaar 2020 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.780. In de aangifte is resultaat uit de eenmanszaak begrepen. De aangegeven omzet van de eenmanszaak bedraagt nihil. De aangegeven bedrijfslasten bedragen € 4.502.
8. Met dagtekening 19 november 2021 zijn aan eiseres voor het jaar 2019 aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd conform de ingediende aangiften.
9. Eiseres heeft op 15 oktober 2022 aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.600. In de aangifte is resultaat uit de eenmanszaak begrepen. De aangegeven omzet van de eenmanszaak bedraagt nihil. De aangegeven bedrijfslasten bedragen € 4.592.
10. Met dagtekening 1 mei 2024 heeft verweerder naar aanleiding van de voor 2021 ingediende aangifte een brief gestuurd waarin, voor zover hier van belang, het volgende is opgenomen:
“Winst uit onderneming: ondernemerschap
In de aangifte hebt u een negatief bedrijfsresultaat van € 4.592 vermeld ter zake van [de eenmanszaak]. Na de MKB-winstvrijstelling is dit een belastbare winst uit onderneming van - € 3.950.
Volgens mijn gegevens hebt u zich op 31 maart 2020 akkoord verklaard met het compromisvoorstel van mijn collega, [naam collega], ter beëindiging van de beroepsprocedure betreffende uw aanslag IB/PVV/ZVW 2016. Bij dit compromis is onder andere ten aanzien van het stakingsmoment van [de eenmanszaak] afgesproken dat de onderneming geacht wordt te zijn gestaakt per ultimo 2019.
Dit betekent dat u geen ondernemer meer bent voor de inkomstenbelasting met in gang van 2020. U hebt dan ook geen recht op kostenaftrek voor de onderneming. Er is na de staking immers geen sprake meer van (winst uit) een onderneming. De negatieve inkomsten die zijn aangegeven als winst uit onderneming kan ik daarom niet accepteren.”
11. Op 19 juni 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres en verweerder. Aanleiding voor het gesprek was de constatering dat de aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 niet conform het in maart 2020 gesloten compromis is gedaan. In het door verweerder opgemaakte gespreksverslag is opgenomen dat verweerder aan het begin van het gesprek heeft medegedeeld dat hij eiseres verdacht van het doen van een onjuiste aangifte IB/PVV en dat eiseres niet tot antwoorden verplicht is.
12. Met dagtekening 24 juli 2024 heeft verweerder een ‘kennisgeving navorderingsaanslagen en boeten’ voor de jaren 2019 en 2020 gestuurd. In de kennisgeving is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“In uw aangiften IB/PVV 2019 en 2020 is (…) afgeweken van de afspraken gemaakt bij het compromis. Hierdoor zijn de opgelegde aanslagen te laag.
(…)
Naar mijn mening is sprake van kwade trouw, omdat u ondanks de op 31 maart 2020 uitdrukkelijk gemaakte afspraken in de aangifte IB/PVV 2019 het restant van de FOR van € 27.181 niet vrij hebt laten vallen in de winst. De vrijval van de FOR is een onderdeel van de winst uit onderneming dat in de aangifte moet worden vermeld.
In de aangifte IB/PVV 2020 hebt u eveneens in strijd met de gemaakte afspraken een winst uit onderneming van de eenmanszaak aangegeven van negatief € 3.872. De onderneming wordt volgens de afspraak geacht te zijn gestaakt per ultimo 2019. Dit betekent dat u geen ondernemer meer bent voor de inkomstenbelasting met ingang van 2020. U hebt dan ook geen recht op kostenaftrek voor de onderneming in 2020.”
(…)
Kennisgeving boete
Verder ben ik van plan vergrijpboeten op te leggen bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en 2020 op grond van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in samenhang met paragraaf 25 en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB).”
13. Eiseres heeft op 13 augustus 2024 op de kennisgeving gereageerd.
14. Met dagtekening 20 september 2024 heeft verweerder een ‘mededeling navorderingsaanslagen en boeten’ voor de jaren 2019 en 2020 gestuurd. Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Uit uw reactie blijkt dat u van mening dat geen sprake is van opzet met betrekking tot het niet naleven van de gemaakte afspraken bij het compromis ter beëindiging van de beroepsprocedure over uw aanslag IB/PVV/ZVW 2016. U geeft aan dat u vanwege ziekte (corona) en persoonlijke omstandigheden bij het sluiten van het compromis tijdsdruk ervoer en u zich niet bewust bent geweest van de precieze inhoud van de afspraken en dat 2019 al zo dichtbij was. U schriftelijke reactie is voor mij geen reden mijn mening te herzien.
(…)
In uw e-mail van 31 maart 2020 bevestigt u aan [naam medewerker belastingdienst] dat u alle details van het voorstel hebt besproken en dat u met het voorstel instemt.
(…)
In uw e-mail van 13 augustus 2024 geeft u aan niet akkoord te gaan met de afrekening van de FOR in 2019. Voorts schrijft u: “Waren wij bewust geweest van de datum “2019”(…), dan hadden wij wel op het moment van de aangifte van 2019 in november 2020 het initiatief genomen [naam medewerker belastingdienst] hierover te benaderen met het verzoek de stakingsdatum op te schuiven. De doelstelling van de rechtszitting op 12 maart 2020 was voor ons juist nog wat ruimte te krijgen voor de voortzetting van het bedrijf na 5 jaar omzet t/m 2016 en een onderbreking van omzet.”
Uit het bovenstaande leidt ik af dat u zelfs nooit van plan bent geweest de gemaakte afspraken bij het compromis te volgen en staking van de onderneming in 2019 aan te geven met afrekening over de FOR.
Naar mijn mening is het daarom aan uw opzet te wijten dat de aanslagen 2019 en 2020 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. (…)
(…)
Door niet af te rekenen over de FOR en deze zelfs niet op de balans te verantwoorden en door kosten voor de onderneming op te blijven voeren, hebt u willens en wetens de aanmerkelijke kan aanvaard dat te weinig belasting wordt geheven. Hiervan had u zich ten tijde van het doen van de aangiften bewust moeten zijn geweest. Er is daarom mijns inziens sprake van (voorwaardelijke) opzet.
Door deze bewustheid die er bij u moet zijn geweest ben ik van mening dat er sprake is van kwade trouw bij het doen van de aangiften 2019 en 2020, wat navordering rechtvaardigt zonder dat er sprake is van een nieuw feit op grond van artikel 16, eerste lid Algemene wet inzake rijksbelastingen. Daarom leg ik de navorderingsaanslagen op zoals hieronder vermeld.
Belastingjaar 2019
Belastbaar inkomen volgens aangifte 2019 (vastgesteld) € 39.531
Correctie: vrijval FOR € 27.181
Correctie: stakingsaftrek € - 3.630
Correctie: MKB winstvrijstelling (…) € - 3.298
Belastbaar inkomen (…) € 59.784
(…)
Belastingjaar 2020
Belastbaar inkomen volgens aangifte 2020 (vastgesteld) € 47.780
Correctie: negatieve winst uit onderneming € 3.872
Belastbaar inkomen € 51.652”
15. De navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2019 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.785. De daarbij opgelegde vergrijpboete bedraagt € 5.155. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 2.098.
16. De navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2019 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 55.927. De daarbij in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 81.
17. De navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2020 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.652. De daarbij opgelegde vergrijpboete bedraagt € 930. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 322.
18. Met dagtekening 8 oktober 2024 is aan eiseres een aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.382. Daarbij is € 416 aan belastingrente in rekening gebracht.
19. In geschil is of de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2019, de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2020 en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 terecht en naar juiste bedragen zijn opgelegd. Tevens is in geschil of bij de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2019 en 2020 terecht vergrijpboeten zijn opgelegd.
20. Naar het oordeel van de rechtbank is met de op 31 maart 2020 bereikte overeenstemming een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 Burgerlijk Wetboek tot stand gekomen. Dit brengt mee dat eiseres in beginsel dient te worden gehouden aan (de gevolgen van) deze overeenkomst. Dit is slechts anders als sprake is geweest van een wilsgebrek bij eiseres ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Op haar rust de bewijslast om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit dat wilsgebrek volgt.
21. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres zo dat zij stelt dat zij heeft gedwaald. In artikel 6:228, eerste lid, Burgerlijk Wetboek is daarover het volgende bepaald:
“Een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar:
a. indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;
b. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;
c. indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.”
Geen van de omstandigheden a, b of c doet zich in dit geval voor. Eiseres heeft onvoldoende feiten gesteld waaruit volgt dat zij de reikwijdte van de afspraak niet kon overzien. Ze heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dwaling die zou kunnen leiden tot vernietiging van de overeenkomst. Dat belanghebbende nu een andere uitkomst voor ogen staat dan hiervoor is afgesproken, maakt dit niet anders.
22. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan de inspecteur een navorderingsaanslag opleggen als enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen, waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Van kwade trouw is sprake indien eiseres de inspecteur met het doen van de aangifte zoals deze is gedaan, opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Onder opzet, dat wil zeggen willens en wetens, wordt mede begrepen voorwaardelijke opzet, ofwel het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans. De bewijslast dat sprake is van kwade trouw, rust op de inspecteur.
23. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldaan aan zijn bewijslast en aannemelijk gemaakt dat sprake is van kwade trouw. Gelet op overeenkomst van 31 maart 2020 moet eiseres zich ervan bewust zijn geweest dat bij het volgen van zijn aangiften de belastingschuld op een te laag bedrag zou worden vastgesteld. Naast het niet laten vrijvallen van (het restant van) de FOR in 2019 heeft zij in 2020 kosten in aanmerking die zien op een onderneming die reeds gestaakt was. Hiermee heeft eiseres opzettelijk de juiste inlichtingen aan verweerder onthouden. Derhalve heeft verweerder voor de jaren 2019 en 2020 mogen navorderen.
24. Uitgaande van hetgeen op 31 maart 2020 is overeengekomen heeft verweerder bij het vaststellen van het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2019 terecht € 27.181 aan vrijval van de FOR in aanmerking genomen en is met de eenmanszaak samenhangende kostenaftrek bij het vaststellen van het belastbaar inkomen uit werk en woning voor de jaren 2020 en 2021 terecht niet geaccepteerd. De navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2019, de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2020 en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 zijn niet te hoog vastgesteld.
25. Verweerder heeft gelijktijdig met de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2019 en 2020 vergrijpboeten van 50% van de nagevorderde belasting opgelegd aan eiseres. Het betreft vergrijpboetes op grond van artikel 67e van de Awr in verband met (voorwaardelijke) opzet. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als iemand bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat het beboetbare feit zich zal voordoen. De bewijslast voor een boete rust op verweerder. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Verweerder moet de voor de boete vereiste feiten en omstandigheden dan ook doen blijken, wat inhoudt overtuigend aantonen.
26. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarin geslaagd. In de mede in naam van eiseres opgestelde e-mail van 31 maart 2020, waarin wordt ingestemd met het voorstel van verweerder, is opgenomen dat het voorstel is bestudeerd en bij de intrekking van zaak SGR 19/6287 verwijst eiseres zelf naar het compromis. De stukken van het geding laten dan ook geen andere conclusie toe dan dat eiseres zich van het gesloten compromis bewust moet zijn geweest. Ook heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend tegen de op 22 april 2020 conform het compromis opgelegde navorderingsaanslag over het jaar 2018. Door in haar aangiften voor de jaren 2019 en 2020 af te wijken van hetgeen op 31 maart 2020 was overeengekomen en verweerder daarvan niet expliciet op de hoogte te stellen, heeft eiseres opzettelijk onjuiste aangiften gedaan. De vergrijpboeten zijn terecht aan eiseres opgelegd. De rechtbank acht de opgelegde boeten ook passend en geboden.
27. De rechtbank ziet in de duur van de procedure aanleiding om de bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2019 opgelegde vergrijpboete ambtshalve te matigen. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn wat betreft de boete is aangevangen met het gesprek op 19 juni 2024 en dat sinds die datum tot het moment waarop in deze zaken uitspraak wordt gedaan, ruim 2 jaar zijn verstreken. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan 2 jaar rechtvaardigen is de rechtbank niet gebleken. De redelijke termijn is dan ook overschreden. De rechtbank heeft daarom de vergrijpboete, conform de door Gerechtshof Amsterdam geformuleerde uitgangspunten, gematigd met 5%. Dat betekent dat de vergrijpboete voor het jaar 2019 moet worden verminderd met € 258 (5% van € 5.155) tot een bedrag van € 4.897. De vergrijpboete die is opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2020 bedraagt minder dan € 1.000 zodat de rechtbank voor die boete volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Nu matiging van de boete die is opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2019 ambtshalve plaatsvindt, leidt matiging niet tot een gegrond beroep.
28. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
29. Voor zover eiseres stelt dat zij door verweerder onheus in bejegend en als gevolg daarvan het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, volgt de rechtbank haar niet. De rechtbank begrijpt dat het gesprek van 19 juni 2024 door eiseres als onprettig is ervaren, maar daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat door verweerder onzorgvuldig zou zijn gehandeld. Omdat bij de op dat moment nog op te leggen navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2019 en 2020 mogelijk vergrijpboeten zouden worden opgelegd was verweerder gehouden bij aanvang van het gesprek op 19 juni 2024 de cautie te verlenen.
30. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn de beroepen ongegrond verklaard.
31. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).