ECLI:NL:RBDHA:2026:177

ECLI:NL:RBDHA:2026:177, Rechtbank Den Haag, 07-01-2026, NL23.9042

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-01-2026
Datum publicatie 08-01-2026
Zaaknummer NL23.9042
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Verzoek opheffing ongewenstverklaring. Geen stukken overgelegd. Niet onevenredig. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 3 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om opheffing van zijn ongewenstverklaring kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft de zaak aangehouden.

Eiser heeft desgevraagd meegedeeld het beroep te willen handhaven en toestemming te geven voor afdoening buiten zitting.

De rechtbank heeft verweerder verzocht om een verweerschrift in te dienen, en het voornemen geuit om buiten zitting uitspraak te doen. Hier is niet op gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de bestuursrechter

1. Van de indiener van een beroepschrift bij de bestuursrechter wordt griffierecht geheven. Eiser heeft het verzoek gedaan om hiervan te worden vrijgesteld wegens betalingsonmacht. Eerder heeft de rechtbank dit verzoek voorlopig toegewezen. Gelet op wat eiser naar voren heeft gebracht over zijn inkomen en vermogen, en gelet op het door hem ondertekende formulier, ziet de rechtbank aanleiding om dit verzoek definitief toe te wijzen. Van eiser zal dan ook geen griffierecht worden geheven.

2. Eiser is geboren op [datum] 1991 en heeft de Albanese nationaliteit. In het besluit van 8 juni 2017 is hij door verweerder ongewenst verklaard nadat hij door de politierechter is veroordeeld voor valsheid in geschrift en rijden zonder rijbewijs.

3. Op 5 mei 2020 heeft eiser verzocht om opheffing van zijn ongewenstverklaring. In het besluit van 11 mei 2020 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. In het besluit van 9 november 2020 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. In de uitspraak van 16 november 2022 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2022:12466).

4. Deze zaak gaat over het verzoek van eiser van 30 juni 2022, waarin hij verweerder opnieuw heeft gevraagd zijn ongewenstverklaring op te heffen. In het besluit van 13 september 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder dit verzoek afgewezen omdat eiser niet met stukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten minste vijf achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven, en omdat niet is gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden. In het bestreden besluit heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Dit betekent dat eiser niet is gehoord over zijn bezwaar.

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij voldoet aan de voorwaarde van vijf achtereenvolgende jaren van verblijf buiten Nederland. Hierbij zoekt eiser aansluiting bij het beleid omtrent inreisverboden. Daarnaast beroept eiser zich op het gelijkheidsbeginsel, waarbij hij een aantal andere zaken aandraagt waarin geen bewijsstukken werden gevraagd en wel is opgeheven. Verder voert eiser aan dat het bestreden besluit onevenredig is, waarbij hij ingaat op de recente jurisprudentie.

6. Blijkens het dossier heeft verweerder op 6 maart 2023 aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) verzocht om het bestreden besluit te betrekken bij het door eiser ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 november 2022. De rechtbank heeft de zaak naar aanleiding hiervan aangehouden. In de uitspraak van 3 maart 2025 heeft de Afdeling dit hoger beroep ongegrond verklaard met toepassing van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (zaaknummer 202206854/1/V2, niet gepubliceerd). Uit deze uitspraak blijkt niet dat het bestreden besluit door de Afdeling mede is beoordeeld.

7. Eiser heeft naar aanleiding hiervan desgevraagd meegedeeld het beroep met de oorspronkelijke beroepsgronden te willen handhaven. Daarnaast heeft hij toestemming gegeven voor afdoening buiten zitting. Verweerder heeft ondanks een ruime mogelijkheid daartoe geen verweerschrift ingediend.

De rechtbank oordeelt als volgt.

8. Op grond van artikel 6.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt de aanvraag om opheffing van een ongewenstverklaring ingewilligd indien de vreemdeling niet aan strafvervolging is onderworpen en hij na de ongewenstverklaring tenminste vijf achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Op grond van het vierde lid, waarbij wordt verwezen naar artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, verstrekt de vreemdeling in ieder geval de bewijsstukken waaruit volgt dat hij aan deze voorwaarden voldoet.

9. Eiser heeft bij zijn aanvraag geen bewijsstukken overgelegd, en dit in bezwaar niet alsnog gedaan. Verweerder is daarom terecht niet overgegaan tot het opheffen van eisers ongewenstverklaring. De enkele omstandigheden dat eiser op 15 mei 2017 is overgeleverd aan Italië en dat er ten tijde van het bestreden besluit sindsdien meer dan vijf jaren zijn verstreken, zijn daarvoor niet voldoende.

10. Anders dan eiser aanvoert, bestaat er geen aanleiding om in deze zaak aansluiting te zoeken bij de regels omtrent inreisverboden. Eiser verwijst daarbij naar gevallen die niet vergelijkbaar zijn met deze zaak. Alleen ongewenstverklaringen van vóór de uiterste datum waarop de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn) geïmplementeerd had moeten zijn, dienen te worden aangemerkt als een inreisverbod. De implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn is verstreken op 10 december 2010 en eisers ongewenstverklaring dateert van een ruimschoots latere datum. De rechtbank verwijst hierbij naar de eerdere uitspraak van 16 november 2022. De door eiser aangehaalde andere zaken betreffen inreisverboden en geen ongewenstverklaringen. Daarop is een ander beoordelingskader van toepassing, zodat eiser geen geslaagd beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel.

11. In het kader van zijn beroep op het evenredigheidsbeginsel heeft eiser met name verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285. Deze uitspraak gaat over toetsing van discretionaire bevoegdheden die zijn ingevuld met beleidsregels. In deze zaak gaat het echter, gelet op wat hiervoor onder 8 is overwogen, om een gebonden bevoegdheid uit een algemeen verbindend voorschrift. In dergelijke gevallen kan op grond van de uitspraken van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190 en ECLI:NL:CBB:2024:191) exceptieve evenredigheidstoetsing plaatsvinden in drie stappen: geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid. Niet in geschil is dat het bestreden besluit geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken: het beschermen van de openbare orde in Nederland. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om het bestreden besluit onevenredig, dan wel onevenwichtig te achten. Eiser heeft er in dit kader op gewezen dat zijn bewegingsvrijheid is aangetast, dat hij zijn vrienden in Europa niet kan bezoeken en dat zijn persoonsgegevens in het Schengeninformatiesysteem (SIS) terecht zijn gekomen. Dit betreft echter gevolgen die rechtstreeks voortvloeien uit het bestreden besluit en geen gevolgen die eiser in het bijzonder treffen. Daarbij komt dat eiser niet heeft toegelicht hoe hecht de banden met zijn vrienden in Europa zijn, waarbij het bovendien van belang is dat een ongewenstverklaring zich beperkt tot het grondgebied van Nederland. Tot slot heeft eiser niet uitgelegd waarom het voor hem niet (goed) mogelijk zou zijn bewijsstukken over te leggen van zijn verblijf buiten Nederland gedurende vijf achtereenvolgende jaren, zoals bedoeld in artikel 6.6, vierde lid, van het Vb.

12. Dit brengt mee dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 7 januari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B.F.Th. de Roos

Griffier

  • mr. A.S. Hamans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?