ECLI:NL:RBDHA:2026:1778

ECLI:NL:RBDHA:2026:1778

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-02-2026
Datum publicatie 03-02-2026
Zaaknummer NL26.5321
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Bewaring Dublin opheffing – de rechtbank ziet in de het uitzonderlijke feitencomplex in deze procedure aanleiding om niet, zoals aanvankelijk aangekondigd, het eerste beroep op 11 februari 2026 op zitting te behandelen, maar aanstonds uitspraak te doen en de maatregel op te heffen. Bij de Afdeling is het hoger beroep van eiser aanhangig dat betrekking heeft op de vraag of de overdrachtstermijn rechtmatig is verlengd. De Afdeling heeft een voorlopige voorziening getroffen en heeft bepaald dat eiser niet aan Duitsland mag worden overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist. De Afdeling heeft ook de bewaring van eiser opgeheven vanwege de duur van de toen ondergane maatregel en de omstandigheid dat geen inschatting kon worden gegeven van de datum waarop de Afdeling uitspraak op het hoger beroep zou doen. Indien verweerder de overdrachtstermijn rechtmatig heeft verlengd, verstrijkt de verlengde overdrachtstermijn op 6 februari 2026, anders is deze termijn reeds verstreken. Verweerder heeft eiser wederom in bewaring gesteld om het overdrachtsbesluit uit te voeren terwijl verweerder weet dat de overdracht op dit moment niet is toegestaan. Verweerder weet niet wanneer de Afdeling uitspraak zal doen en heeft dat niet voorafgaand aan oplegging van de maatregel aan de Afdeling gevraagd. De rechtbank komt tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd en beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel en gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser. SV + PKV.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] (V-nummer: [V-nummer]),

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.5321

geboren op [geboortedatum] 2001, Nigeriaanse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),

en

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Verweerder heeft eiser op 30 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft op 30 januari 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een (spoed) voorlopige voorziening te treffen. Het beroep wordt tevens aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Desgevraagd heeft verweerder op 2 februari 2026 gereageerd op de reeds door eiser ingediende beroepsgronden.

Eveneens op 2 februari 2026 heeft eiser gereageerd op het bericht van verweerder.

De rechtbank heeft aanleiding gezien om het onderzoek op 2 februari 2026 te sluiten zonder het beroep te behandelen op zitting.

Overwegingen

1. Verweerder heeft eiser in bewaring gesteld om de overdracht aan Duitsland te verzekeren. In de maatregel van bewaring heeft verweerder, overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder, heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit vier zogenoemde zware gronden en drie zogenoemde lichte gronden opgevoerd om dit te motiveren.

2. De rechtbank ziet in het uitzonderlijke feitencomplex in deze procedure aanleiding om niet, zoals aanvankelijk aangekondigd, het beroep op 11 februari 2026 te behandelen, maar aanstonds uitspraak te doen en de maatregel op te heffen. De rechtbank motiveert dit als volgt.

3. Eiser heeft op 8 juli 2024 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag op 25 november 2024 niet in behandeling genomen en een overdrachtsbesluit vastgesteld. Het beroep tegen dit overdrachtsbesluit is door deze rechtbank en zittingsplaats op 31 januari 2025 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBLIM:2025:790, niet gepubliceerd). De Afdeling heeft het hoger beroep tegen deze uitspraak ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd op 10 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:953). Het op 25 november 2024 vastgestelde overdrachtsbesluit staat in rechte vast.

4. Bij besluit van 7 februari 2025 heeft verweerder de Duitse autoriteiten medegedeeld dat verweerder de overdrachtstermijn tot 18 maanden heeft verlengd. De rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn op 17 maart 2025 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2025:4967). Eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De Afdeling heeft daarop op 18 maart 2025 een ordemaatregel getroffen en bepaald dat de op 19 maart 2025 voorgenomen overdracht van eiser achterwege moet blijven (ECLI:NL:RVS:2025:1189). In diezelfde procedure heeft de Afdeling op 16 april 2025 overwogen dat het hoger beroep nader onderzoek vergt waarvoor die procedure zich niet leent en heeft de Afdeling daarom bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat eiser niet wordt overgedragen voordat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist (ECLI:NL:RVS:2025:1664).

5. Verweerder heeft eiser op 12 maart 2025 in bewaring gesteld om de overdracht aan Duitsland te effectueren. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft de met een beroep gelijkgestelde kennisgeving ongegrond verklaard op 28 april 2025 (ECLI:NL:RBLIM:2025:4067, niet gepubliceerd). De Afdeling heeft op 26 mei 2025 het hoger beroep van eiser in de bewaringsprocedure gegrond verklaard en de maatregel vanaf de dag van de uitspraak onrechtmatig geacht en daarom opgeheven (ECLI:NL:RVS:2025:2419). De Afdeling heeft in deze uitspraak onder meer het navolgende overwogen:

(…)

1. In grief 1 klaagt appellant dat hij niet voor een zo kort mogelijke periode in bewaring wordt gehouden en dat zicht op overdracht binnen een redelijke termijn ontbreekt. Daarom heeft hij de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht de maatregel van bewaring op te heffen.

Bij uitspraak van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1664, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling de voorlopige voorziening getroffen dat appellant niet wordt overgedragen aan Duitsland totdat op zijn hoger beroep tegen de verlenging van het overdrachtsbesluit is beslist.

Sinds deze uitspraak zijn er zes weken verstreken. De Afdeling heeft in deze periode geen uitspraak gedaan op het door appellant ingestelde hoger beroep, geregistreerd onder zaaknummer 202501527/1/V2. In die procedure speelt een rechtsvraag waarnaar de Afdeling nader onderzoek moet doen. Op dit moment is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen inschatting te geven wanneer de Afdeling uitspraak zal doen. Gelet hierop komt aan het belang van appellant bij de opheffing van de maatregel meer gewicht toe dan aan het belang van de minister bij het voortduren daarvan.

(…)

6. Verweerder heeft eiser thans wederom in bewaring gesteld om het overdrachtsbesluit van 25 november 2024 uit te voeren. Verweerder heeft op 30 januari 2026 de maatregel opgelegd terwijl verweerder op de hoogte is dat de overdracht niet is toegestaan voordat de Afdeling uitspraak doet in de procedure die ziet op de vraag of de overdrachtstermijn rechtmatig is verlengd. De rechtbank begrijpt dat verweerder eiser wenst over te dragen en de rechtbank wéét dat de overdrachtstermijn, indien de Afdeling de verlenging van de overdrachtstermijn rechtmatig zou achten, verstrijkt op 6 februari 2026. Verweerder is echter thans niet bevoegd om eiser over te dragen. De maatregel kan dan ook niet strekken tot het effectueren van het overdrachtsbesluit. Verweerder is ook niet bevoegd om ‘eiser alvast in bewaring te stellen’ voor het geval dat de Afdeling deze week uitspraak zou doen en voor het geval dat de Afdeling het hoger beroep van eiser ongegrond zou verklaren. Verweerder had de Afdeling dienen te vragen of de Afdeling uitspraak zal doen voordat de -al dan niet rechtmatig verlengde- overdrachtstermijn verstrijkt en had zich hiervan dienen te vergewissen voorafgaand aan opleggen van de maatregel op 30 januari 2026.

7. Eiser heeft op 30 januari 2026 beroep ingesteld en de rechtbank heeft heden verweerder om een nader standpunt gevraagd. Verweerder heeft in zijn reactie aangegeven heden de Afdeling schriftelijk te hebben verzocht om een spoedige uitspraak op het hoger beroep. Verweerder heeft, anders dan verweerder heeft vermeld, deze brief niet in het dossier gevoegd maar de rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat zicht op uitzetting niet ontbreekt omdat niet is uit te sluiten dat de Afdeling uitspraak zal doen voor het verstrijken van de overdrachtstermijn. De rechtbank volgt dit standpunt niet en concludeert dat verweerder eiser in bewaring heeft gesteld om de uitvoering van het overdrachtsbesluit te effectueren, terwijl de Afdeling heeft bepaald dat deze uitvoering niet is toegestaan. De rechtbank concludeert dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd en betrekt hierbij dat verweerder niet alleen voorafgaand aan oplegging van de maatregel had moeten nagaan wanneer de Afdeling zou beslissen op het hoger beroep maar dat het ook nog maar de vraag is of de overdrachtstermijn rechtmatig is verlengd. De rechtbank betrekt bij haar uitspraak tevens dat de Afdeling de bewaring eerder heeft opgeheven in verband met een belangenafweging in verband met de duur van de maatregel. Het gaat dan ook niet aan om eiser nu wederom in bewaring te stellen om dat zelfde overdrachtsbesluit uit te voeren, terwijl de Afdeling de rechtmatigheid van de verlenging van de overdrachtstermijn nog niet heeft beoordeeld.

8. De rechtbank concludeert dus dat de oplegging van de maatregel onrechtmatig is geschied en dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal de onmiddellijk opheffing van de maatregel bevelen en de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser gelasten.

9. De rechtbank zal eiser in aanmerking brengen voor schadevergoeding voor 4 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 4 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 480,-.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder, in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel;

- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 480,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder, in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. K.M.R.L. Kamp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 2 februari 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. van Lokven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?