Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Parketnummers: 09/274773-25 en 83/393477-24 (tul)
Datum uitspraak: 3 februari 2026
De rechtbank Den Haag, meervoudige economische kamer, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in het [instelling] , Detentiecentrum.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. van Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. E.J.W. Schuijlenburg naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij in of omstreeks de periode 1 oktober 2025 tot en met 14 oktober 2025 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, al dan niet tezamen en vereniging met (een) ander(en), althans alleen,opzettelijk, meermalen, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten(op 1 oktober 2025)- 20 stuks, althans een of meer stuks, knalvuurwerk (DumBum)en/of(op 14 oktober 2025)- 20 stuks, althans een of meer stuks, Shells en/of- 100 stuks, althans een of meer stuks, knalvuurwerk (DumBum)aan een pseudokoper van de politie ter beschikking heeft gesteld en/of voorhanden heeft gehad.
2hij op of omstreeks 14 oktober 2025 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland,tezamen en vereniging met (een) ander(en), althans alleen,opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten- 2360 stuks, althans een of meer stuks, knalvuurwerk (Dumbum)- 72 stuks, althans een of meer stuks, Shells- 36,44 kilogram, althans een hoeveelheid, enkelschotsbuizen en/of Romeinse kaarsenheeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad in een kelderbox aan de [adres 1] .
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, maar dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde partieel dient te worden vrijgesproken, namelijk van het onderdeel: ‘100 stuks, althans een of meer stuks, knalvuurwerk (DumBum)’.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft van het onder 1 ten laste gelegde feit partieel vrijspraak bepleit, namelijk voor zover dit ziet op de pseudokoop van 14 oktober 2025. De pseudokoop op 1 oktober 2025 kan volgens de raadsman wel wettig en overtuigend bewezen worden.
De raadsman heeft verder namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde onder feit 1 het volgende af.
In het kader van opsporingsonderzoek bevond een opsporingsambtenaar zich op 23 september 2025 in een Telegramgroep waar (zwaar) illegaal vuurwerk werd aangeboden. Op 24 september 2025 werd door Telegramgebruiker [gebruikersnaam 1] (met uniek Telegram-ID: [nummer] ), tevens de beheerder van deze Telegramgroep, vuurwerk aangeboden. Daarop heeft de opsporingsambtenaar op 29 september 2025 een bericht gestuurd naar deze Telegramgebruiker met de vraag of hij ook Shells verkocht. Uiteindelijk werd afgesproken dat bij [gebruikersnaam 1] op 1 oktober 2025 twintig stuks DumBums zouden worden aangekocht.
Door een opsporingsambtenaar werd op 1 oktober 2025 via Telegram contact gemaakt met [gebruikersnaam 1] . De pseudokoop vond plaats tussen een opsporingsambtenaar en de verdachte. De verdachte heeft dit feit ter terechtzitting bekend. De verdachte ontkent echter Telegramgebruiker [gebruikersnaam 1] te zijn.
Vervolgens is door een opsporingsambtenaar wederom toegewerkt naar een pseudokoop van Shells, die moest plaatsvinden op 14 oktober 2025. Uit chatberichten die via Telegram werden uitgewisseld op 12 oktober 2025 blijkt dat de persoon met username [gebruikersnaam 1] contact heeft gehad met een opsporingsambtenaar over de verkoop van vuurwerk. Hij heeft naar de opsporingsambtenaar gestuurd dat hij Telegramgebruiker [gebruikersnaam 2] even moet berichten dat hij het gevraagde vuurwerk verkoopt en dat dit een maatje van hem is.
De verklaring van de verdachte dat hij niet de Telegramgebruiker [gebruikersnaam 1] is, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. Ten eerste was hij degene die onder diezelfde gebruikersnaam bij de pseudokoop van 1 oktober 2025 betrokken was. Ook maakt de verdachte op zijn telefoon gebruik van Snapchat onder de gebruikersnaam [gebruikersnaam 3] , een vrijwel gelijkluidende naam, terwijl hij voor die gelijkenissen ter terechtzitting geen plausibele verklaring heeft gegeven. Daarnaast heeft medeverdachte [medeverdachte] bekend dat hij Telegramgebruiker [gebruikersnaam 2] is (degene naar wie de opsporingsambtenaar wordt doorverwezen voor de verkoop op 14 oktober 2025) en dat hij op 14 oktober 2025 betrokken was bij de pseudokoop van twintig stuks Shells. Ten slotte is de verdachte op 14 oktober 2025 aangehouden in een kelderbox waar een grote hoeveelheid zwaar vuurwerk aanwezig was.
De betrokkenheid aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. In de regel krijgt de samenwerking tussen medeplegers gestalte terwijl het delict begaan wordt, maar ook gedragingen die daaraan voorafgaan kunnen medeplegen opleveren.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit (het voorbereiden van) de verkoop van illegaal vuurwerk.
Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen door de verdachte in de periode van 1 oktober tot en met 14 oktober 2025 wettig en overtuigend bewezen. Hoewel het dossier geen rechtstreekse aanwijzingen bevat voor de betrokkenheid van de medeverdachte bij de pseudokoop van 1 oktober 2025, laat dit de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte in die periode onverlet gezien de betrokkenheid van beide verdachten als medeplegers bij de pseudokoop op 14 oktober 2025.
Ten aanzien van feit 2
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde onder feit 2 het volgende af.
De verdachte is op 14 oktober 2025 aangetroffen in de kelderbox met de sleutel van de kelderbox in zijn handen. Hij was op dat moment bezig met het openen van de kelderbox. Hij kon dus over de inhoud van de kelderbox beschikken.
De rechtbank gaat er ook vanuit dat de verdachte wetenschap had van de hoeveelheid vuurwerk in de kelderbox. Op de foto op pagina 76 van het procesdossier is duidelijk te zien dat gelijk bij binnenkomst in de kelderbox een grote hoeveelheid vuurwerk ligt. Verder waren in de kelderbox dezelfde blauwe plastic tasjes aanwezig die ook bij de pseudokoop van 14 oktober 2025 aanwezig waren. Zo wordt op 14 oktober 2025 waargenomen dat medeverdachte [medeverdachte] op een scooter naar de kelderbox gaat, hij de kelderbox vervolgens opent met een sleutel en kort daarna naar buiten komt met een blauw plastic tasje. Bij de overdracht van de Shells op 14 oktober 2025 ziet de opsporingsambtenaar vervolgens dat medeverdachte [medeverdachte] de Shells uit een vergelijkbaar blauw plastic tasje haalt. [medeverdachte] heeft bekend dat hij de sleutel van de kelderbox al jaren in bezit had. Op grond van het voorgaande en het feit dat de verdachte en [medeverdachte] tezamen en in vereniging vuurwerk ter beschikking hebben gesteld en voorhanden hebben gehad (feit 1), acht de rechtbank bewezen dat de verdachte wetenschap had over wat er zich in de kelderbox bevond. Anders dan de verdediging komt de rechtbank daarmee tot de conclusie dat de verdachte deze grote hoeveelheid vuurwerk in de kelderbox – in ieder geval in voorwaardelijke zin – opzettelijk voorhanden heeft gehad.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank verder dat ook in het kader van dit feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte. Die samenwerking ligt onder meer besloten in de omstandigheid dat zij in het kader van een voorafgaand, met het desbetreffende feit samenhangend feit (feit 1) hebben samengewerkt. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat de verdachte het vuurwerk tezamen en in vereniging voorhanden heeft gehad. Gelet op de bovenstaande vaststellingen acht de rechtbank de verklaring van de verdachte – dat hij de sleutel van de kelderbox van iemand anders in handen had gekregen en dat hij er niet eerder binnen was geweest –
niet geloofwaardig.
Conclusie
De rechtbank komt tot de conclusie dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van het voorhanden hebben van de 100 stuks DumBums op 14 oktober 2025, nu uit het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor de betrokkenheid van de verdachte bij deze verkoop blijken.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1hij in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 14 oktober 2025 te ‘s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, meermalen, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten(op 1 oktober 2025)- 20 stuks knalvuurwerk (DumBum)en (op 14 oktober 2025)- 20 stuks Shells
aan een pseudokoper van de politie ter beschikking heeft gesteld en voorhanden heeft gehad.
2hij op 14 oktober 2025 te ‘s-Gravenhage, tezamen en vereniging met een anderopzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten- 2360 stuks knalvuurwerk (DumBum) en- 72 stuks Shells en- 36,44 kilogram, althans een hoeveelheid, enkelschotsbuizen en Romeinse kaarsen voorhanden heeft gehad in een kelderbox aan de [adres 1] .
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vijf maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan de tijd die is doorgebracht in voorlopige hechtenis. Daarnaast heeft de raadsman bepleit om daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft samen met een ander zwaar knalvuurwerk voorhanden gehad en ook verkocht. Hij heeft het vuurwerk aangeboden in Telegram groepen, waarbij het uiteindelijk tot tweemaal toe is gekomen tot een verkoop van dit vuurwerk aan een pseudokoper van de politie. Er worden met dit type vuurwerk regelmatig aanslagen gepleegd, met aanzienlijke schade en maatschappelijke impact tot gevolg.
Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander meer dan 2.000 stuks zwaar knalvuurwerk voorhanden gehad. De rechtbank overweegt dat het merendeel van het vuurwerk dat in de kelderbox lag (en van daaruit werd verkocht) professioneel vuurwerk was van categorie F4. Dit type vuurwerk is zeer gevaarlijk en mag alleen door vuurwerkprofessionals die beschikken over een vergunning worden afgestoken. Het bevat een veel grotere explosieve lading dan het vuurwerk dat aan consumenten verkocht mag worden. Het afsteken van dit type vuurwerk brengt dan ook grote risico’s mee voor degene die het afsteekt, maar ook voor eventuele omstanders. Soms zijn er onder de afnemers en/of omstanders zelfs dodelijke slachtoffers te betreuren. Onder andere de jaarwisselingen wijzen dit, helaas, keer op keer uit.
De verdachte heeft met het voorhanden hebben van zeer grote hoeveelheden illegaal professioneel vuurwerk en de verkoop hiervan aan dit alles bijgedragen. De rechtbank kent hieraan zwaarwegende betekenis toe.
Alleen al gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf.
De omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan
Ook de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan spelen een rol in de straftoemeting.
De rechtbank kent bij haar straftoemeting zwaarwegende betekenis toe aan de omstandigheid dat een zeer grote hoeveelheid gevaarlijk vuurwerk lag opgeslagen in een kelderbox, midden in een dichtbevolkte woonwijk. De gevaarzetting als gevolg daarvan is enorm. Als dit vuurwerk tot ontploffing zou zijn gekomen, zou dit verwoestende effecten hebben gehad op de omgeving. Brandwerende voorzieningen in de kelderbox of ter bescherming van het opgeslagen vuurwerk zelf, waren niet zichtbaar aanwezig. De box lag vol met plastic zakjes gevuld met los vuurwerk.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De verdachte zou van deze gevaren doordrongen moeten zijn. Hij was een gewaarschuwd mens. Blijkens zijn strafblad van 17 oktober 2025 is hij op 17 september 2025 veroordeeld tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor het verkopen van dit type vuurwerk. Hij wist van deze zaak, maar had – zo verklaarde hij bij de raadkamer van deze rechtbank – een depressie en dus geen zin om te komen. Blijkbaar heeft de in die veroordeling besloten liggende waarschuwing de verdachte er niet van weerhouden om zich opnieuw met verboden, zwaar vuurwerk in te laten en zichzelf en anderen aan grote gevaren bloot te stellen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden die tijdens de terechtzitting door en namens de verdachte naar voren zijn gebracht. De rechtbank weet niet veel over de verdachte. Ter zitting heeft hij aangegeven dat hij het zwaar heeft in detentie en dat hij zijn leven weer op de rit wil brengen. Hoewel de ervaring en wens van de verdachte voorstelbaar zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze persoonlijke omstandigheden als strafverminderend mee te wegen in de strafmaat.
Richtlijnen openbaar ministerie en rechtspraak in vergelijkbare gevallen
De rechtbank heeft acht geslagen op de richtlijnen van het openbaar ministerie voor vuurwerkdelicten. Daarin is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden als uitgangspunt vermeld voor het voorhanden hebben van 200 stuks of meer professioneel knalvuurwerk in de categorie F4. In het geval van recidive is de richtlijn een gevangenisstraf van vijftien maanden. Voor veel grotere hoeveelheden worden geen nadere richtlijnen meer gegeven, maar de rechtbank stelt vast dat het in dit geval gaat om een hoeveelheid van ruim tien keer zo veel. Daar komt ook nog bij dat sprake was van professioneel vuurwerk in de categorieën F2 en F3. De rechtspraak heeft geen oriëntatiepunten voor vuurwerkdelicten. De rechtbank heeft naast de genoemde richtlijnen van het openbaar ministerie acht geslagen op rechtspraak in vergelijkbare gevallen.
De straf
De rechtbank komt, alles afwegende, tot een hogere straf dan de officier van justitie heeft geëist. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat de op te leggen straf mede strekt tot preventie, niet alleen in het specifieke geval van de verdachte, maar ook in algemene zin, als signaal naar de samenleving. De aard en de hoeveelheden vuurwerk die de verdachte voorhanden had en de omstandigheid dat dit opgeslagen lag in een kelderbox in een woonwijk in combinatie met het feit dat sprake is van herhaling rechtvaardigen de op te leggen straf ook.
De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, passend en geboden.
De rechtbank acht een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf passend om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en in het bijzonder om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Om die reden koppelt de rechtbank aan de voorwaardelijke gevangenisstraf een proeftijd van drie jaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genoemde voorwerp zal worden verbeurdverklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genoemde voorwerp moet worden teruggegeven aan de verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en dit voorwerp door middel van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten is verkregen.
8. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 10 december 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 83/393477-24 door de economische politierechter van de rechtbank Den Haag op 17 september 2025 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om de proeftijd van de vordering tot tenuitvoerlegging te verlengen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 10 december 2025 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de economische politierechter in deze rechtbank d.d. 17 september 2025, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 1 a, 2 en 6 Wet op de Economische delicten;
- 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer;
- 1.2.2. en 2.1.4 van het Vuurwerkbesluit.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van de feiten 1 en 2:
medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermaals gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
de inbeslaggenomen goederen
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 942,65 EUR geld;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de economische politierechter in deze rechtbank d.d. 17 september 2025, gewezen onder parketnummer 83-393477-24, te weten gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Ritsema van Eck- van Drempt, voorzitter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
mr. dr. C. Hofman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Melieste, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 februari 2026.
Bijlage: Bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025348847, onderzoek IROKO25 / DHRBA25021, van de politie eenheid Den Haag, team Milieu, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 279).
Ten aanzien van feit 1
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 20 januari 2026, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 1 oktober 20 stuks DumBum heb verkocht aan iemand die later een politieagent bleek te zijn.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 1 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 26-29):
In het kader van opsporingsonderzoek IROKO25 bevond ik, verbalisant [verbalisant 1] , mij op 25 september 2025, in de openbare Telegram-groep ‘ [groep] ’. In deze openbare Telegram-groep wordt door verschillende leden (zwaar) illegaal vuurwerk aangeboden. Op 24 september plaatste Telegram-gebruiker: [gebruikersnaam 1] , met uniek Telegram-ID: [nummer] , meerdere foto's van vuurwerk.
Op 29 september 2025, om 12:15 uur verstuurde ik het volgende tekstbericht naar [gebruikersnaam 1] :
“yo0
Hb je die shells”
Ik zag dat [gebruikersnaam 1] enige tijd later reageerde waarna het gesprek verder ging.
- [gebruikersnaam 1] nog 2 stuks 100 gram dumbums had en deze op=op zijn.
Op 1 oktober 2025 nam ik, verbalisant [verbalisant 2] , de chat over van verbalisant [verbalisant 3] . Hierbij kwam ik tot de afspraak elkaar op 1 oktober 2025 te ontmoeten, waarbij ik 5 pakken van 50gram Dumbum zou aankopen voor een bedrag van 200 euro.
Op 1 oktober 2025 bevond ik, verbalisant [verbalisant 2] , mij op de Parralelweg te Den Haag. Alhier had ik middels de app Telegram contact met [gebruikersnaam 1] . Kort daarna zag ik dat er een persoon mijn kant opgelopen kwam. Ik zag dat hij naast de bijrijdersportier stond en omlaag bukte en de auto in keek. Ik opende de bijrijdersportier en hij trok deze open. Ik zag dat hij naast mijn auto bleef staan en een boodschappentas op de bijrijdersstoel neergelegde. Ik hoorde hem zeggen: “je hebt vijf stuks toch”. Ik bevestigde dit. Ik nam de tas over en zag vijf doosje met het vuurwerk in de tas liggen. Ik overhandigde hem 200 euro, in coupures van 4 x 50 euro. Ik zag dat hij het geld natelde en in zijn broekzak stopte. Hierna namen wij afscheid en zag dat hij richting de Jacob Catsstraat liep.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 30-32):
Op 12 oktober 2025 heb ik, verbalisant [verbalisant 1] , een bericht gestuurd naar [gebruikersnaam 1] met de volgende tekst:
“yoo
K zie dat je die shells weer hebt”
Ik zag vervolgens dat [gebruikersnaam 1] hierop reageerde. Samenvattend weergegeven zei [gebruikersnaam 1] het volgende:
“200€ voor 15 stuks
250€ voor 20 stuks
[gebruikersnaam 2] bericht hem ff
Hij verkoopt die Shells
Maatje van me”
Hierop heb ik vervolgens, middels Telegram, contact opgenomen met gebruiker [gebruikersnaam 2] . Ik zag dat [gebruikersnaam 2] vrijwel direct reageerde. Hierna vervolgde ik het chatgesprek.
- [gebruikersnaam 2] kon alleen afspreken na 6 (18:00) uur;
- [gebruikersnaam 2] ging de shells apart houden, want ze gingen als warme broodjes eruit;
- Ophalen in dh (Den Haag);
- [gebruikersnaam 2] mij het advies gaf om geen rugtas, bigshopper of sporttas mee te nemen voor mijn eigen gemak en veiligheid;
- De prijs voor 20 shells 250 euro betrof;
Op 13 oktober 2025 kreeg ik het volgende bericht van [gebruikersnaam 2] :
“Yo
Ben je nog geïnteresseerd die Shells? (20 stuks)
Ik ga ze dan nog voor je apart leggen, want ze gaan echt hard man, ze zijn echt gewild!”
Op 14 oktober 2025 kreeg ik het volgende bericht van [gebruikersnaam 2] :
“Yoo snelle vraagje man?"
Hierna vervolgde ik het chatgesprek.
[gebruikersnaam 2] aangaf nog 1 shell over te hebben en de vraag stelde of ik 21 shells wilde hebben in plaats van 20;
Ik vervolgens vroeg wat de totale prijs ging zijn;
[gebruikersnaam 2] 270 euro aangaf;
Wij na onderhandelen samen op 265 euro waren uitgekomen;
[gebruikersnaam 2] vroeg of ik gepast kon betalen;
[gebruikersnaam 2] vroeg hoe laat hij mij kon verwachten;
Op 14 oktober 2025 stond ik op de afgesproken locatie. Ik had met [gebruikersnaam 2] contact via Telegram. Ik zag dat er een man mijn voertuig stond. De man, hierna te noemen NN1, wees naar zichzelf en vervolgens naar mij. Ik zag dat NN1 instapte als bijrijder en zijn zwarte rugtas op zijn schoot legde. Ik vroeg aan NN1 of hij de Shells bij zich had en zag hierna dat NN1 de tas opende, hierin lag een grote de plastic tas. Deze tilde NN1 eruit en legde op zijn schoot neer. Ik zag dat er Shells inlagen. NN1 scheurde de zak open en ik zag dat er Shells in de tas lagen. Ik gaf NN1 250 euro voor 20 Shells.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 21 november 2025, voor zover inhoudende (p. 180-184):
Op 14 oktober 2025 werd na zijn aanhouding de mobiele telefoon van verdachte [verdachte] ter waarheidsvinding in beslag genomen. Dit betreft een iPhone 14 pro. Onderzoek telefoon Door mij werd onderzoek gedaan naar de opgeslagen data van de telefoon conform het bevel. Ik zag in de beschikbare data van de telefoon dat deze werd/was gebruikt in combinatie met twee telefoonnummers: * [telefoonnummer 1] * [telefoonnummer 2] (laatst gebruikte nummer). Ik zag dat de eigenaar van de telefoon gebruik maakt van de navolgende Snapchat Usernames: * [gebruikersnaam 3]
5. Het proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, opgemaakt op 3 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 123-132):
Op 2 oktober 2025 is door mij, hoofdagent van politie, werkzaam als materiedeskundige vuurwerk, behorende tot het Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk (COV), te Ulicoten, het inbeslaggenomen vuurwerk op uiterlijke kenmerken onderzocht.
Knalvuurwerk — Lijst lll
Ik zag dat het door mij onderzochte vuurwerk was voorzien van de categorie-indeling F4.
6. Proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, opgemaakt op 16 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 50-63):
Op 15 oktober 2025 is door mij, hoofdagent van politie, werkzaam als
materiedeskundige vuurwerk, behorende tot het Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk (COV), te Ulicoten, het inbeslaggenomen vuurwerk op uiterlijke kenmerken onderzocht.
Shell — Lijst III (Mortierbom) (1)
Ik zag dat het door mij onderzochte vuurwerk was voorzien van de categorie-indeling F4.
7. Het proces-verbaal van verhoor van (mede)verdachte [medeverdachte] , opgemaakt op 15 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 209-218):
V: Is jouw user account [gebruikersnaam 2] ?
A: Ja.
V: Wat heb je gisteren verkocht aan vuurwerk?
A: Ik ben betrapt met Shells.
V: Hoeveel Shells had je?
A: 20
Ten aanzien van feit 2
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 oktober 2025 , voor zover inhoudende (p. 36-37):
Op 14 oktober 2025 bevonden wij, verbalisanten, ons op de Jacob Catsstraat. Even daarvoor had er op de Lulofsstraat een pseudokoop plaats gevonden en was de verdachte opnieuw onderweg om nog meer zwaar vuurwerk te halen. Uit onderzoek bleek dat dit vuurwerk mogelijk was opgeslagen op de [adres 2] in een kelderbox. Wij zagen dat er over de Jacob Catsstraat uit de richting van de Parallelweg een KD scooter aan kwam rijden. Wij zagen dat de man van zijn scooter afstapte en de kelderbox ter hoogte van de [adres 2] binnen ging middels een sleutel. Door het raam van deze kelderboxdeur zagen wij dat hij de tweede deur links betrad. Wij zagen dat de man uiteindelijk de kelderbox weer verliet en met een blauw plastic tasje naar buiten kwam. Wij zagen dat dit blauwe plastic tasje gevuld was en de man deze in zijn zwarte rugzak plaatste en vervolgens op zijn scooter stapte. Wij zagen dat hij vervolgens keerde en weer weg reed in de richting van de Parallelweg. Wij hoorden via de communicatiemiddelen ongeveer 2 minuten later dat deze scooter met het betreffende kenteken en signalement van de bestuurder in beeld kwam op de Lulofsstraat en uiteindelijk is aangehouden.
Hierop hebben wij na deze aanhouding de kelderbox betreden en hebben daar de verdachte [verdachte] aangehouden buiten heterdaad. In de kelderbox zagen wij dezelfde blauwe tasjes liggen die de verdachte op de scooter in zijn rugtas stopte. Het bleek dat het ging om de kelderbox met het nummer [huisnummer] . Ik zag dat dit dezelfde kelderbox was waar de man op de scooter naar binnen was gegaan.
2. Het proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, opgemaakt op 16 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 72-114):
Knalvuurwerk — Lijst III (1)
Ik zag dat het door mij onderzochte vuurwerk was voorzien van de categorie-indeling F4.
Knalvuurwerk — Lijst III (2)
Ik zag dat het door mij onderzochte vuurwerk was voorzien van de categorie-indeling F4.
Enkelschotsbuis — Lijst IIA
Ik zag dat het door mij onderzochte vuurwerk was voorzien van de categorie-indeling F2. Dit vuurwerk is NIET aangewezen als consumentenvuurwerk in bijlage I van de RAC.
Batterij Enkelschotsbuizen — Lijst IIB (Flowerbed)
Naam
Xx Nitro Big
Producent
NEM etiket in gr.
948
Diam. inw. mm.
Gewicht in kg.
8,64 (per stuk)
CE markering
Ja
Gewicht in kg.
8,64 (totaalgewicht)
CE reg.nr.
1008-F3-69250482
Ik zag dat het door mij onderzochte vuurwerk is voorzien van de categorie-indeling F3. Dit vuurwerk is NIET aangewezen als consumentenvuurwerk in bijlage I van de RAC.
Romeinse kaars — Lijst IIB
Naam
Brocade gunfire
Producent
NEM etiket in gr.
90,6
CE markering
Ja
Gewicht in kg.
13,90 (28 stuks)
CE reg.nr.
2806-F3-004212
Ik zag dat het door mij onderzochte vuurwerk was voorzien van de categorie-indeling F3. Romeinse kaarsen zijn NIET aangewezen als consumentenvuurwerk in bijlage I van de RAC.
Batterij Enkelschotsbuizen — Lijst IIA (Flowerbed)
Naam
Max 7 19 shots
Producent
Liuyang
Artikelnmr
WE62-25-023
NEM etiket in gr.
395,4
Diam. inw. mm.
Gewicht in kg.
2,38 (per stuk)
CE markering
Ja
Gewicht in kg.
16,,66 (totaalgewicht)
CE reg.nr.
Onleesbaar
Ik zag dat het door mij onderzochte vuurwerk is voorzien van de categorie-indeling F2.
3. Het proces-verbaal van verhoor van de (mede)verdachte [medeverdachte] , op 17 oktober 2025 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, voor zover inhoudende:
U vraagt mij of het dus klopt dat het vuurwerk lag in de kelderbox waar ik debeschikking over had. Ja. U vraagt mij of ik wel eens heb nagedacht over wat voor soort vuurwerk het was. Ik ben zeker op de hoogte van het gevaar van illegaal vuurwerk.